Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
09-2249 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaar. Ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van een besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/200 met annotatie van H.E. Bröring
ABkort 2010/109
JB 2010/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2249 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 maart 2009, 08/1709 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld en de Minister heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wege. Voor de Minister is verschenen

mr. G.J.M. Naber.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 23 september 2008 is wegens onverschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard het door appellante bij brief van 10 september 2008 - waarin zij heeft gesteld niet eerder dan door de ontvangst van een kopie van dat besluit op 28 augustus 2008 op de hoogte te zijn gekomen van het bestaan van dat besluit - gemaakte bezwaar tegen het Bericht Terugbetalen 2008 van 6 januari 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 23 september 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Er bestaat geen aanleiding om de - niet aangetekende - verzending van het besluit van 6 januari 2008 niet aannemelijk te achten en evenmin aanleiding om de ontkenning door appellante van de ontvangst van het besluit geloofwaardig te achten. In aanmerking genomen dat appellante in haar beroepschrift heeft gesteld dat zij de aan haar op 24 februari 2008, 22 maart 2008, 22 april 2008 en 24 mei 2008 gestuurde aanmaningen niet heeft ontvangen, zij ter rechtbankzitting daarvan is teruggekomen door te verklaren bij nader inzien wel enkele van die aanmaningen te hebben ontvangen en zij dusdoende niet consistent is geweest in haar verklaringen over de ontvangst van die aanmaningen, is haar ontkenning van de ontvangst van het besluit van 6 januari 2008 evenmin geloofwaardig te achten. Daarbij komt dat appellante door die aanmaningen wist van het bestaan van een besluit inzake de aflossing van de langlopende schuld en van haar had mogen worden verwacht dat zij al eerder actie had ondernomen. Aangezien pas op 10 september 2008 bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 6 januari 2008 en de rechtbank niet is gebleken van verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is terecht het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - met een beroep op uitspraken van de Raad van 12 oktober 2004 (RSV 2005, 19) en 17 november 2006 (LJN AZ3525) aangevoerd dat niet is aangetoond dat het besluit van 6 januari 2008 op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze is verzonden en dat bijgevolg de termijn van zes weken voor het maken van bezwaar niet eerder is gaan lopen dan (daags) nadat haar op haar verzoek een afschrift van het besluit van 6 januari 2008 is toegezonden, zodat zij wel tijdig bezwaar heeft gemaakt. Voorts heeft appellante een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2009, LJN BJ9889, stellende dat in haar geval niet evident sprake is van ongeloofwaardige ontkenning door haar van de ontvangst van het primaire besluit.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingaat op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb dat de bekendmaking van tot een of meer belanghebbenden gerichte besluiten geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.3.1. De Raad beantwoord de vraag of het primaire besluit op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze is verzonden, bevestigend, waarbij het volgende in aanmerking is genomen.

4.3.2. Indien evident sprake is van ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van een besluit, wordt door de Raad de ontvangst van dat besluit genoegzaam aannemelijk geacht evenals - zonder nader bewijs - de verzending per gewone post.

Gelijk de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, is appellante ter zitting van de rechtbank teruggekomen van de door haar in haar beroepschrift betrokken stelling dat zij de vier (op 24 februari, 22 maart, 22 april en 24 mei 2008) aan haar gestuurde aanmaningen niet heeft ontvangen door te verklaren bij nader inzien wel enkele van die aanmaningen te hebben ontvangen en is appellante dusdoende niet consistent geweest in haar verklaringen over de ontvangst van die aanmaningen. Daaraan heeft de rechtbank de conclusie verbonden dat haar ontkenning van de ontvangst van het primaire besluit evenmin geloofwaardig is te achten. De Raad deelt die op die overweging gebaseerde conclusie volledig en is voorts van oordeel dat er onder de gegeven omstandigheden evident sprake is van ongeloofwaardige ontkenning door appellante van de ontvangst van het primaire besluit.

Een bijkomend argument van de rechtbank is geweest dat appellante door de aanmaningen wist van het bestaan van een besluit inzake de aflossing van haar studieschuld en van haar had mogen worden verwacht dat zij al eerder actie had ondernomen. Ook daarin volgt de Raad de rechtbank.

Ter zitting van de Raad heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat uit het feit dat zij later is teruggekomen van haar stelling geen van de desbetreffende aanmaningen te hebben ontvangen niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat ontkenning door haar van de ontvangst van het primaire besluit ongeloofwaardig, laat staan evident ongeloofwaardig, is. Evenmin als de rechtbank kan de Raad zich in dat standpunt vinden. Het gaat om het wel of niet geloofwaardig zijn; het aanvankelijk niet de waarheid hebben gesproken wat de ontvangst van (enkele van) de aanmaningen betreft ondermijnt zozeer de geloofwaardigheid van haar ontkenning van de ontvangst van het primaire besluit dat kan en mag worden gesproken van evidente ongeloofwaardigheid.

4.3.3. De Raad heeft bij zijn oordeelsvorming laten meespelen dat de ontkenning door appellante niet eerder is gekomen dan (kort) na ontvangst door haar van het besluit van 6 augustus 2008 op haar van 19 juni 2008 daterende verzoek om meting van haar draagkracht voor 2008 (op basis van haar inkomen in 2006). Dat besluit houdt in dat zij vanaf 1 juli 2008 (althans, tot en met 31 december 2008) niets van haar studieschuld behoeft terug te betalen. Er is dus - geheel in overeenstemming met artikel 6.10, derde lid, van de Wsf 2000 - geen terugwerkende kracht wat de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008 toegekend. Dat betekent dat, indien zij eerder haar verzoek om draagkrachtmeting had ingediend, het in de rede had gelegen dat zij per een eerdere datum, mogelijk reeds per 1 januari 2008 (tot en met 31 december 2008) niets van haar studieschuld had behoeven terug te betalen. Appellante had er dan ook belang bij om na het besluit van 6 augustus 2008 met betrekking tot de draagkrachtmeting de ontvangst van het besluit van 6 januari 2008 te ontkennen.

4.3.4. Nu het besluit op de voorgeschreven wijze is verzonden, is de bezwaartermijn daags nadien gaan lopen en is het bezwaar te laat. De Raad is niet gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

5. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep van appellante.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

TM