Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4502

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
08-3489 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad ziet geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. In de brief van de klinisch neuropsycholoog is – zonder enige nadere onderbouwing – aangegeven dat het plausibel is aan te nemen dat appellante op 26 september 2007 gehinderd werd door cognitieve klachten die eveneens betrekking hadden op concentreren en verdelen van aandacht en dat ook het handelingstempo enigszins vertraagd was. Deze aspecten zijn evenwel in het rapport van Matser van 2 februari 2007 in het geheel niet als vastgesteld tekort vermeld. Juiste arbeidskundige grondslag. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3489 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Hertogenbosch van 23 april 2008, 07/2909 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellante heeft op 28 december 2009 een tweetal brieven van de klinisch neuropsycholoog dr. E. Matser van 9 en 28 december 2009, alsmede een brief van appellante aan haar gemachtigde van 23 december 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als huishoudelijk assistente toen zij zich met ingang van 21 februari 1992 ziek meldde wegens nek-, schouder- en moeheidsklachten, alsmede duizeligheid. Met ingang van 19 februari 1993 is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend welke laatstelijk werd berekend naar de klasse 35 tot 45%. Met ingang van 1 september 1995 is appellante werkzaam als kosteres in deeltijd.

2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 11 oktober 2006 onderzocht door de verzekeringsarts G.H.M. van Loon. In diens rapport van dezelfde datum vond Van Loon bij het lichamelijk en psychisch onderzoek geen duidelijke afwijkingen. Als diagnose vermeldde hij een whiplash-achtig beeld en voorts enkele op de gepresenteerde klachten gebaseerde nevendiagnoses. Grosso modo kwamen volgens Van Loon de beperkingen overeen met de bij een voorgaande beoordeling vastgestelde beperkingen en achtte hij een urenbeperking onveranderd niet van toepassing. De beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding berekend dat het verlies aan verdienvermogen 17,01% bedroeg. Hierna herzag het Uwv bij besluit van 11 januari 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 9 maart 2007 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3.1. In de bezwaarprocedure kreeg de bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers de beschikking over informatie van de huisarts van 5 maart 2007 en een rapport van de in rubriek I van deze uitspraak vermelde klinisch neuropsycholoog Matser van 2 februari 2007 inzake een neuropsychologisch heronderzoek. Matser vermeldde dat bij appellante in verband met een verkeersongeval in 1987 sprake was van enkele milde neurocognitieve stoornissen, dat het woordbenoemen, de snelheid van visuele informatieverwerking en de mate van afleidbaarheid ten opzichte van een vergelijkbaar onderzoek in 1994 mild verslechterd waren maar dat de geheugenscores significant verbeterd waren.

3.2. Stammers deed in zijn rapport van 13 juni 2007 verslag van door hem verricht medisch onderzoek aansluitend aan de hoorzitting op die dag. Bij het oriënterend lichamelijk onderzoek kwam hij tot gelijke bevindingen als Van Loon. Voorts meldde hij zijn bevindingen bij onderzoek aan de rechter pols. Mede gelet op de informatie van de huisarts en van Matser corrigeerde Stammers de FML wat betreft de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren), alsmede in rubriek 3 in verband met allergie en eczeem.

3.3. De bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée liet vervolgens blijkens een rapport van 24 juli 2007 een aantal functies vervallen en raadpleegde het CBBS andermaal voor een nieuwe functieduiding. Het verlies aan verdienvermogen werd bepaald op 19,25%, waarna het Uwv bij besluit van 25 juli 2007 (hierna: besluit 1) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 januari 2007 ongegrond verklaarde.

4.1 In beroep nam het Uwv op 1 november 2007 een gewijzigde beslissing op bezwaar (hierna: besluit 2). Volgens het Uwv diende de herziening van de uitkering van appellante in verband met het in overweging 3.3 vermelde rapport van Prosée uit een oogpunt van rechtszekerheid eerst in te gaan op 26 september 2007. Aan besluit 2 legde het Uwv een nader rapport van Prosée van 26 oktober 2007 ten grondslag, waarin de uiteindelijk geduide functies – naast de algemene toelichting van de signaleringen in het rapport van 24 juli 2007 – op een aantal aspecten nader werden toegelicht.

5.1. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen besluit 2 ongegrond. Tevens besliste de rechtbank over vergoeding aan appellante van de in beroep gemaakte proceskosten.

5.2. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van besluit 2 en zag in het bijzonder geen aanleiding voor het oordeel dat Stammers met de conclusies van het neuropsychologische heronderzoek van Matser onvoldoende rekening heeft gehouden.

5.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 2 oordeelde de rechtbank in het bijzonder naar aanleiding van de motivering door Prosée in diens rapport van 26 oktober 2007 dat bij de functie magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code 111220) volgens het resultaat functiebeoordeling is aangegeven dat vanuit een groep wordt gewerkt maar dat sprake is van een eigen afgebakende deeltaak. Wat betreft de functie elektronica monteur (SBC-code 267040) overwoog de rechtbank dat er ten aanzien van reiken een overschrijding is op de frequentie maar dat de reikafstand veel kleiner is dan de maximaal toegelaten afstand. Ten slotte ging de rechtbank voorbij aan de grief van appellante ten aanzien van de functie machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) omdat deze functie een reservefunctie is.

6. In hoger beroep keerde appellante zich tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze besluit 2 betreft. Volgens appellante zijn haar beperkingen op lichamelijk en cognitief gebied te gering ingeschat en is vanuit preventief oogpunt een urenbeperking aangewezen. Voorts herhaalde appellante in essentie haar eerder verwoorde bezwaren tegen de aan besluit 2 ten grondslag gelegde functies.

7.1. De Raad stelt voorop dat hij zich, gelet op de formulering van de reikwijdte van het hoger beroep, zal beperken tot het punt van geschil, te weten het oordeel van de rechtbank over besluit 2.

7.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van besluit 2 een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Hij ziet die aanleiding in het bijzonder ook niet in de in rubriek I van deze uitspraak vermelde brief van Matser van 28 december 2009, waarin – zonder enige nadere onderbouwing – is aangegeven dat het plausibel is aan te nemen dat appellante op 26 september 2007 gehinderd werd door cognitieve klachten die eveneens betrekking hadden op concentreren en verdelen van aandacht en dat ook het handelingstempo enigszins vertraagd was. Deze aspecten zijn evenwel in het rapport van Matser van 2 februari 2007 in het geheel niet als vastgesteld tekort vermeld, waarvoor namens appellante ter zitting ook geen verklaring kon worden gegeven.

7.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 2 ziet de Raad in hetgeen in hoger beroep nog is aangevoerd tegen de aan besluit 2 ten grondslag gelegde functies geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank, zoals dat in overweging 5.3 samengevat is weergegeven.

7.4. De overwegingen 7.1 tot en met 7.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR