Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4497

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
08-6613 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Het Uwv heeft de belastbaarheid van appellante niet overschat. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de bva dat de brief van de systeemtherapeute van de GGZ geen nieuwe medische gegevens bevat die een ander licht werpen op de belastbaarheid van appellante. Voldoende arbeidskundige grondslag. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6613 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 oktober 2008, 07/3903 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van 26 januari 2009 van bezwaarverzekeringsarts A. Deitz, waarin hij een reactie heeft gegeven op het hoger beroepschrift.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 januari 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen A.P. London.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als inpakster via een uitzendbureau. Voor deze werkzaamheden is zij op 7 februari 1995 uitgevallen wegens psychische klachten.

1.2. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is appellante met ingang van 6 februari 1996 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsarts K.G.M. van den Brand appellante onderzocht tijdens een spreekuurcontact. Tevens heeft de verzekeringsarts kennis genomen van de op zijn verzoek versterkte brief van 31 augustus 2006 met bijlagen van de huisarts van appellante. In zijn rapport van 30 augustus 2006, aangevuld met het rapport van 8 september 2006, heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante door een verminderde draagkracht beperkingen heeft wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren. Tevens moet het werk fysiek niet te zwaar zijn. De belastbaarheid van appellante is weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 augustus 2006. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige J.A.F.M. Peijs in zijn rapport van 3 januari 2007 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op nihil. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 8 januari 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 maart 2007 ingetrokken.

2. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans. Deze arts heeft dossierstudie verricht, waarbij zij kennis heeft genomen van het huisartsenjournaal van 2006. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft Huijsmans in haar rapport van 25 april 2007 geconcludeerd dat zij zich kan vinden in de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Wel heeft de bezwaarverzekeringsarts in verband met de astma van appellante zorgvuldigheidshalve nog een beperking aangenomen wat betreft werken in een stoffige/prikkelende omgeving en extreme koude, tocht en hitte, zoals weergegeven in de FML van 1 mei 2007. Met inachtneming van deze FML heeft bezwaararbeidsdeskundige A.M. Beckers de passendheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld. In het rapport van 27 augustus 2007 heeft Beckers geconcludeerd dat een aantal functies komt te vervallen, maar dat dit geen gevolgen heeft voor de schatting aangezien er voldoende primair geduide functies resteren die onveranderd geschikt zijn. Het verlies aan verdienvermogen berekende Beckers daarbij op 12,1%. Bij het besluit van 28 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank, mede gelet op het in beroep overgelegde arbeidskundige rapport van 3 september 2008, geen aanknopingspunten gezien om de in de bezwaarprocedure uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante ongeschikt te achten. Nu een deugdelijke arbeidskundige toelichting op die functies eerst na de datum van het bestreden besluit is verkregen, dient, aldus de rechtbank, dit besluit vernietigd te worden, maar bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen ervan geheel in stand te laten.

4. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat haar belastbaarheid is overschat. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante naar een brief van 10 maart 2008 van L. van Alphen, systeemtherapeute bij GGZ Midden-Brabant.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens blijkt naar het oordeel van de Raad uit de in het dossier aanwezige medische gegevens niet dat het Uwv de belastbaarheid van appellante heeft overschat. Daaraan voegt de Raad toe dat de in overweging 4 vermelde brief van Van Alphen geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad kan zich vinden in het oordeel van bezwaarverzekeringsarts A. Deitz, zoals vervat in zijn aanvullende rapport van 26 januari 2009, dat voormelde brief geen nieuwe medische gegevens bevat die een ander licht werpen op de belastbaarheid van appellante ten tijde van de datum in geding.

5.3. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker metaal en elektro-industrie (sbc-code 111171), medewerker tuinbouw (sbc-code 111010) en huishoudelijk medewerker gebouwen (sbc-code 111334) voor appellante in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn.

5.4. Uit de overwegingen 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

EF