Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4445

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08-7233 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. De gedingstukken bieden volgens de Raad een toereikende grondslag voor de conclusie dat de onroerende zaken een bestanddeel vormden van het vermogen waarover appellant heeft beschikt of redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7233 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 december 2008, 08-3347 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 januari 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M. Valkering, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf september 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant in Istanbul onroerend goed bezit, heeft het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (hierna: de ambassade) op verzoek van het College onderzocht of appellant over vermogen in Turkije beschikt. De bevindingen van de ambassade zijn neergelegd in een rapport van 13 september 2006. Vervolgens heeft de afdeling Fraude van de gemeente Zaanstad een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant toegekende uitkering. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 oktober 2006.

1.3. Naar aanleiding van de resultaten van deze onderzoeken heeft het College bij besluit van 23 november 2007 de bijstand van appellant met ingang van 9 september 1998 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 9 september 1998 tot en met 31 augustus 2006 tot een bedrag van € 92.775,41 van appellant teruggevorderd. Het besluit berust op de overweging dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand over de periode van 9 september 1998 tot en met 31 augustus 2006 niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 27 februari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 februari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Gelet op de uitspraak van heden met nr. 08/839 WWB, waarbij de rechtsgevolgen van de intrekking van de bijstand van appellant vanaf 1 september 2006 in stand zijn gelaten, ligt voor de Raad in dit geding ter beoordeling de periode van 9 september 1998 tot en met 31 augustus 2006 voor.

4.2. De Raad leidt uit de gedingstukken en met name uit het rapport van de ambassade van 13 september 2006 af dat volgens het register van de afdeling onroerend goed belasting van de deelgemeente Eyüp van de stad Istanbul appellant vanaf 1 januari 1997 een perceel grond voor de helft in eigendom heeft, alsmede dat hij voor de helft eigenaar is van drie appartementen en drie werkplaatsen die zich bevinden in een appartementencomplex aan het adres [adres 1]. Voorts blijkt uit dat register dat appellant tevens vanaf 1 februari 2005 volledig eigenaar is van drie appartementen en twee werkplaatsen aan het adres [adres 2]. Deze gedingstukken bieden volgens de Raad een toereikende grondslag voor de conclusie dat deze onroerende zaken een bestanddeel vormden van het vermogen waarover appellant heeft beschikt of redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. In dit licht bezien gaat de Raad voorbij aan de stelling van appellant dat hij slechts voor de helft de eigenaar is van één pand in Turkije. Evenmin volgt de Raad appellant in zijn stelling dat hij niet over het vermogen kon beschikken waarvan hij mede-eigenaar is omdat hij met de andere eigenaar in een juridische procedure verwikkeld is, reeds omdat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd.

4.3. Appellant heeft aan het College niet meegedeeld dat hij over grond, appartementen en werkplaatsen beschikte. Het gaat hier om gegevens die onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor de verlening van bijstand. Dat brengt mee dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.4. Met betrekking tot de waarde van de onroerende zaken merkt de Raad op dat deze volgens het rapport van de ambassade van 13 september 2006 door een lokale makelaar in september 2006 is geschat op € 654.637,--. Daarbij is niet de waardeontwikkeling van de onroerende zaken over de gehele periode in geding aangegeven. Verder heeft appellant tegenover medewerkers van de afdeling Fraude verklaard dat hij in 1991 grond heeft gekocht voor een bedrag van f1. 20.000,--. Deze gegevens acht de Raad onvoldoende om over de gehele periode in geding te bepalen wat de waarde is geweest van de vermogensbestanddelen die appellant bezit. Nu appellant dat evenmin inzichtelijk heeft gemaakt, kan naar het oordeel van de Raad niet met zekerheid worden vastgesteld of appellant ten tijde hier in geding niet de beschikking had over middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit betekent dat het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding niet meer kan worden vastgesteld, zodat het College bevoegd was om de bijstand over de periode van 9 september 1998 tot en met 31 augustus 2006 in te trekken. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Hieruit volgt dat het College bevoegd was de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 92.775,41 van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van dat beleid had moeten afwijken.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

mm