Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4439

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08-839 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/839 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 december 2007, 07/3589 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M. Valkering, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf september 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant in Istanbul onroerend goed bezit, heeft het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (hierna: de ambassade) op verzoek van het College onderzocht of appellant over vermogen in Turkije beschikt. De bevindingen van de ambassade zijn neergelegd in een rapport van

13 september 2006.

1.3. Het College heeft hierin aanleiding gezien om bij besluit van 18 september 2006 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 1 september 2006 op te schorten en appellant uit te nodigen voor een gesprek op 2 oktober 2006.

1.4. Vervolgens heeft de afdeling Fraude van de gemeente Zaanstad een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant toegekende uitkering. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 oktober 2006.

1.5. Naar aanleiding van de resultaten van deze onderzoeken heeft het College bij besluit van 23 oktober 2006 de bijstand van appellant vanaf 1 september 2006 beëindigd (lees: ingetrokken). Het besluit berust op de overweging dat appellant beschikt over een vermogen dat hoger is dan het voor hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen.

1.6. Bij besluit van 14 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2006 ongegrond verklaard met dien verstande dat de intrekking is gehandhaafd op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Voorts heeft het College bij datzelfde besluit overwogen dat appellant als gevolg van de gehandhaafde intrekking geen belang meer heeft bij een besluit over de opschorting van het recht op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Vooraf

4.1.1. Het College heeft de intrekking per 1 september 2006 niet beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat voor de bestuursrechter de periode van 1 september 2006 tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit (23 oktober 2006) ter beoordeling voorligt.

4.1.2. De Raad stelt vervolgens - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank aan haar oordeel, wat de intrekking van de bijstand per 1 september 2006 betreft, artikel 54, vierde lid, van de WWB ten grondslag heeft gelegd en haar oordeel aldus niet heeft gebaseerd op een door het College aan het besluit van 14 mei 2007 ten grondslag gelegde grond. Immers, de intrekking van de bijstand berust op artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. De Raad ziet hierin, mede gelet op het feit dat artikel 8:69, eerste (en tweede) lid, van de Awb van openbare orde is, reeds aanleiding de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen.

4.1.3. De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

4.2. De intrekking over de periode van 1 september 2006 tot 23 oktober 2006

4.2.1. De Raad leidt uit de gedingstukken en met name uit het rapport van de ambassade van 13 september 2006 af dat volgens het register van de afdeling onroerend goed belasting van de deelgemeente Eyüp van de stad Istanbul appellant vanaf 1 januari 1997 een perceel grond voor de helft in eigendom heeft, alsmede dat hij voor de helft eigenaar is van drie appartementen en drie werkplaatsen die zich bevinden in een appartementencomplex aan het adres [adres 1], [adres 2]. Voorts blijkt uit dat register dat appellant tevens vanaf 1 februari 2005 volledig eigenaar is van drie appartementen en twee werkplaatsen aan het adres [adres 3]. Deze gedingstukken bieden volgens de Raad een toereikende grondslag voor de conclusie dat deze onroerende zaken een bestanddeel vormden van het vermogen waarover appellant heeft beschikt of redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. In dit licht bezien gaat de Raad voorbij aan de stelling van appellant dat hij slechts voor de helft de eigenaar is van één pand in Turkije. Evenmin volgt de Raad appellant in zijn stelling dat hij niet over het vermogen kon beschikken waarvan hij mede-eigenaar is omdat hij met de andere eigenaar in een juridische procedure verwikkeld is, reeds omdat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd.

4.2.2. Appellant heeft aan het College niet meegedeeld dat hij over grond, appartementen en werkplaatsen beschikte. Het gaat hier om gegevens die onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor de verlening van bijstand. Dat brengt mee dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.2.3. Anders dan het College is de Raad evenwel van oordeel dat de gedingstukken voldoende aanknopingspunten bieden om vast te stellen dat de genoemde onroerende zaken ten tijde hier van belang een zodanige waarde vertegenwoordigden dat appellant daardoor beschikte over een vermogen dat ruimschoots hoger is dan het voor hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen. Immers, volgens het rapport van de ambassade van 13 september 2006 is de waarde van het aangetroffen vermogen door een lokale makelaar geschat op in totaal € 654.637,--. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om deze waardevaststelling voor onjuist te houden.

4.2.4. Het voorgaande brengt mee dat het besluit van 14 mei 2007, voorzover het de intrekking van de uitkering betreft, niet op een deugdelijke motivering berust en daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

4.2.5. De Raad ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 14 mei 2007 in stand blijven. Gelet op hetgeen onder 4.2.3 is overwogen, is de Raad namelijk van oordeel dat appellant ten tijde hier van belang beschikte over een vermogen dat hoger is dan het voor hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen. Dit brengt mee dat het College bevoegd was op die grond de bijstand over de periode van 1 september 2006 tot en met 23 oktober 2006 in te trekken. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.3. De opschorting van de bijstand

Nu gelet op hetgeen onder 4.2.3 tot en met 4.2.5 is overwogen de rechtsgevolgen van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 september 2006 in stand blijven, is de intrekking in rechte onaantastbaar geworden. Voorts stelt de Raad vast dat niet is gebleken dat appellant nog enig (financieel) belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar tegen de opschorting van het recht op bijstand met ingang van 1 september 2006. Het hoger beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. Slotoverwegingen

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover die betrekking heeft op de intrekking van de bijstand. De Raad zal het beroep gegrond verklaren, het besluit van 14 mei 2007 in zoverre vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand laten. De Raad ziet voorts aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op de intrekking van de bijstand per 1 september 2006;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 mei 2007 in zoverre;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 14 mei 2007 in stand blijven;

Verklaart het hoger beroep tegen de opschorting van de bijstand niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan appellant;

Bepaalt dat het College aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

mm