Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08-6258 WWB + 08-6260 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellanten behoren sinds 1 januari 2007 als uitkeringsgerechtigden krachtens de WWB niet tot de doelgroep van de Reïntegratieverordening en kunnen dus geen belanghebbenden zijn ten aanzien van een opstap- of vangnetbaan, zodat dergelijke banen niet meer aan hen kunnen worden aangeboden. Daarmee is gegeven dat appellanten ten tijde van de aangevallen uitspraak met het beroep niet meer een voor hen gunstiger resultaat konden verkrijgen. De rechtbank heeft appellanten dan ook terecht op die grond niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6258 WWB

08/6260 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante] beiden wonende te [woonplaats] (hierna samen: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 september 2008, 06/1811 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Vleugel, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Vleugel. Het College heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten waren in loondienst werkzaam in zogenoemde ID-banen bij de stichting Hand-Werk (hierna: de Stichting). De Stichting ontving voor appellanten van het College loonkostensubsidie op grond van de Verordening loonkostensubsidie instroom/doorstroombanen Wiw-werkervaringsplaatsen. Deze verordening regelde de subsidiëring van arbeidsplaatsen op grond van het Besluit in- en doorstroombanen (Stb. 1999, 591). Dit besluit is per 1 januari 2004 vervallen met de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van die datum heeft de raad van de gemeente Utrecht de Reïntegratieverordening 2004 (Reïntegratieverordening) en de Overgangsverordening Verordening loonkostensubsidie instroom/doorstroombanen Wiw-werkervaringsplaatsen (hierna: de Overgangsverordening) vastgesteld.

1.2. De Reïntegratieverordening voorziet als door het College te bieden ondersteuning in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in opstapbanen en vangnetbanen. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Reïntegratieverordening heeft een opstapbaan tot doel de belanghebbende door betaald werk sneller op regulier werk te plaatsen. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van die verordening heeft een vangnetbaan tot doel de belanghebbende door betaald werk een zodanige werkervaring op te laten doen dat het perspectief op regulier werk vergroot wordt. Ingevolge het vierde hoofdstuk van de Reïntegratieverordening kunnen subsidies aan werkgevers worden verstrekt voor onder meer de kosten van opstap- en vangnetbanen.

1.3. Met de Overgangsverordening is onder meer beoogd om voortzetting van subsidies aan werkgevers zoals de Stichting voor werknemers in ID-banen, zoals appellanten, mogelijk te maken. Daartoe moest bezien worden of en hoe voldaan kon worden aan de eisen van de Reïntegratieverordening. Ter uitvoering hiervan heeft het College aan SagEnn opdracht gegeven om ten aanzien van appellanten een Advies Diagnose gesubsidieerde arbeid uit te brengen. Op 17 mei 2004 heeft SagEnn ten aanzien van appellant een opstapbaan 2 en ten aanzien van appellante een opstapbaan 1 geadviseerd. De Stichting, vertegenwoordigd door appellant als bestuurder, heeft verklaard het niet eens te zijn met dit advies, omdat de Stichting te weinig geld heeft om het minimumloon te betalen aan appellanten en zo de geadviseerde trajectdoelen van de opstapbanen niet te kunnen realiseren. SagEnn heeft het advies ook om instemming aan appellanten als werknemers willen voorleggen, maar heeft het aan hen toegezonden toen bleek dat zij zes weken op vakantie waren.

1.4. Bij besluiten van 8 juli 2004 heeft het College aan de Stichting meegedeeld dat de loonkostensubsidie voor appellanten uiterlijk 1 juli 2005 wordt beëindigd of zoveel eerder als het dienstverband eindigt. De reden daarvoor is dat de Stichting heeft meegedeeld dat zij appellanten na 1 juli 2005 niet in dienst kan houden met een loonkostensubsidie voor opstapbanen. De Stichting is hierbij meegedeeld dat het College appellanten vanaf 1 juli 2004 gaat bemiddelen naar een opstapbaan bij een nog aan te wijzen re-integratiebedrijf.

1.5. Bij besluiten van eveneens 8 juli 2004 heeft het College op grond van de Reïntegratieverordening aan appellant een opstapbaan 2 en aan appellante een opstapbaan 1 toegekend met ingang van 1 juli 2005 of zoveel eerder als hun toenmalige dienstverband met de Stichting zou eindigen. Verder is aan appellanten meegedeeld dat het College hen vanaf 1 juli 2004 gaat bemiddelen naar een opstapbaan 2 respectievelijk 1 bij een andere werkgever door middel van een nog aan te wijzen re-integratiebedrijf, dat appellanten verplicht zijn hieraan mee te werken en dat het niet meewerken tot gevolg kan hebben dat het College de bemiddeling naar een andere baan beëindigt.

1.6. Bij besluit van 6 maart 2006 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 8 juli 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College vastgehouden aan het advies van SagEnn en zijn appellanten niet gevolgd in hun betoog dat zij in aanmerking komen voor vangnetbanen.

1.7. Het College heeft de loonkostensubsidie aan de Stichting voor appellanten voortgezet tot 1 januari 2007. Vanaf die datum ontvangen appellanten een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellanten geen rechtens te honoreren belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep, nu zij hun werkzaamheden bij de Stichting hebben kunnen voortzetten tot 1 januari 2007 en sindsdien in beginsel niet behoren tot de doelgroep op grond van de WWB.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat slechts sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd vanwege de principiële betekenis daarvan voor mogelijke toekomstige gevallen waarbij niet appellant, maar anderen betrokken zijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 juni 2009, LJN BJ0878.

4.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is het college verantwoordelijk voor het ondersteunen van personen die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de WWB, personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening.

4.3. In artikel 1, onderdeel m, van de Reïntegratieverordering is de doelgroep gedefinieerd als de personen aan wie op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB door de gemeente ondersteuning kan worden geboden. Onderdeel o van dat artikel definieert belanghebbende als het lid van de doelgroep dat aanspraak maakt op ondersteuning of aan wie ondersteuning wordt geboden.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat appellanten sinds 1 januari 2007 als uitkeringsgerechtigden krachtens de WWB niet behoren tot de doelgroep van de Reïntegratieverordening en dus geen belanghebbenden kunnen zijn ten aanzien van een opstap- of vangnetbaan, zodat dergelijke banen niet meer aan hen kunnen worden aangeboden. Daarmee is gegeven dat appellanten ten tijde van de aangevallen uitspraak met het beroep niet meer een voor hen gunstiger resultaat konden verkrijgen.

De rechtbank heeft appellanten dan ook terecht op die grond niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.T.M. Sondereggger.

SB