Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
08-3658 WWB + 08-3659 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand over meerdere periodes. Gezamenlijke huishouding. Niet woonachtig in de gemeente. Schending inlichtingenverplichting. Ten aanzien van de periode 7 juli 2006 tot en met 14 september ontbeert het besluit een deugdelijke grondslag. De Raad laat de rechtsgevolgen in stand, omdat uit de onderzoeksgegevens blijkt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden. Uit verklaring blijkt dat er sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3658 WWB

08/3659 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] en [Appellant], wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 mei 2008, 07/890 en 07/891 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2009. Voor appellanten is verschenen mr. Bakker. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Nieuwland, werkzaam bij de gemeente Stadskanaal.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving vanaf 25 januari 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een verhuizing in februari 2006 is door het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord & Oost Groningen (hierna: de sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft op 28 juni 2006 een gesprek met appellante plaatsgevonden en is aansluitend een huisbezoek afgelegd op het bij het College bekend zijnde adres van appellante: [adres 1] te [woonplaats] (gemeente Stadskanaal). De bevindingen van het onderzoek, welke zijn neergelegd in een rapport van 4 juli 2006, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 14 september 2006 de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2006 te beëindigen (lees: in te trekken) op de grond dat zij met ingang van deze datum niet meer in de gemeente Stadskanaal verblijft. Bij besluit van 12 juli 2007 (hierna: besluit 1) heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 september 2006 ongegrond verklaard.

1.3. Naar aanleiding van een vermoeden van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant is door de sociale recherche een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader hiervan heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden in de [adres 2] te [plaatsnaam] en in de [adres 1] te [woonplaats], zijn getuigen gehoord en appellanten verhoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 6 en 12 september 2006. De bevindingen van dit onderzoek waren voor het College aanleiding om bij besluit van

12 oktober 2006 de bijstand van appellante over de periode van 1 februari 2006 tot en met 14 mei 2006 in te trekken op de grond dat appellante in deze periode met appellant een gezamenlijke huishouding voerde en hiervan het College geen mededeling had gedaan, en de bijstand van appellante over de periode van 15 mei 2006 tot en met 31 mei 2006 in te trekken op de grond dat zij in deze periode niet in de gemeente Stadskanaal verbleef en ook hiervan het College geen mededeling had gedaan. Bij het besluit van 12 oktober 2006 zijn tevens de over de periode van 1 februari 2006 tot en met 31 mei 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.363,36 (netto) van appellante teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 12 oktober 2006 zijn de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2006 tot en met 14 mei 2006 tot een bedrag van € 2.902,25 (netto) van appellant teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 12 juli 2007 (hierna: besluit 2) heeft het College het bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 12 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen besluit 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de intrekking en terugvordering over de periode van 1 februari 2006 tot en met 14 mei 2006

4.1. Appellanten hebben aangevoerd dat in de periode van 1 februari 2006 tot en met 14 mei 2006 geen sprake was van een gezamenlijke huishouding, dat appellante pas medio februari 2006 op het adres [adres 1] te [woonplaats] is komen wonen en dat er door het College ten onrechte geen belangen zijn afgewogen. De Raad stelt vast dat deze in hoger beroep aangevoerde grieven een herhaling vormen van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellanten in de periode vanaf 1 februari 2006 tot en met 14 mei 2006 beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres 1] te [woonplaats] en dat in die periode sprake was van wederzijdse zorg. De Raad is dan ook van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het door het College ingenomen standpunt dat appellante gedurende de hier van belang zijnde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant.

4.3. Door bij het College geen opgave te doen van de gezamenlijke huishouding met appellant heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenplicht geschonden. Als gevolg van die schending is aan haar gedurende de hier van belang zijnde periode ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Het College was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 februari 2006 tot en met 14 mei 2006. Het College heeft daarbij gehandeld overeenkomstig de ter zake van intrekking geldende beleidsregel. In hetgeen door appellanten is aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van deze beleidsregel had moeten afwijken.

4.4. Daarmee is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van appellante. Aangezien met de middelen van appellant bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB zodat het College bevoegd was tot medeterugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van appellant. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met de ter zake van de terugvordering geldende beleidsregel. In hetgeen door appellanten is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van de beleidsregel geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering had moeten afzien.

Ten aanzien van de intrekking en terugvordering over de periode van 15 mei 2006 tot en met 31 mei 2006

4.5. Appellante heeft aangevoerd dat zij in de periode van 15 mei 2006 tot en met 31 mei 2006 enige tijd heeft gelogeerd bij een persoon die niet in de gemeente Stadskanaal woont en dat zij in die periode wel haar hoofdverblijf had in de gemeente Stadskanaal.

4.6. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante in de periode van 15 mei 2006 tot en met 31 mei 2006 niet haar hoofdverblijf had in de gemeente Stadskanaal.

4.7. Door bij het College geen juiste opgave te doen van haar feitelijke woonadres heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenplicht geschonden. Als gevolg van die schending is aan haar in de hier van belang zijnde periode ten onrechte bijstand verleend. Het College was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode vanaf 15 mei 2006 tot en met 31 mei 2006. Het College heeft daarbij gehandeld overeenkomstig de ter zake van intrekking geldende beleidsregel. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van deze beleidsregel had moeten afwijken.

4.8. Daarmee is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van appellante. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met de ter zake van de terugvordering geldende beleidsregels. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van de beleidsregel geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Hieruit volgt dat de grieven tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen besluit 2 ongegrond is verklaard, falen. Dit deel van de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Ten aanzien van de intrekking met ingang van 1 juni 2006

4.9. De Raad stelt vast dat bij het besluit van 14 september 2006 de bijstand van appellante is ingetrokken met ingang van 1 juni 2006. Aangezien het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter naar vaste rechtspraak van de Raad de periode tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 juni 2006 tot en met 14 september 2006.

4.10. Het College heeft de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2006 ingetrokken op de grond dat appellante niet haar hoofdverblijf had in de gemeente Stadskanaal.

4.11. Appellante heeft aangevoerd dat zij vanaf 1 juni 2006 vanwege werkzaamheden in haar woning tijdelijk bij een kennis in Oude Pekela heeft gelogeerd en dat van een wijziging van woonplaats geen sprake is geweest.

4.12. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.13. Naar het oordeel van de Raad bieden de beschikbare onderzoeksgegevens een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante in de periode van 1 juni 2006 tot en met 6 juli 2006 haar woonplaats in deze periode niet in de gemeente Stadskanaal had.

De Raad wijst in dit verband op de verklaring van appellante van 27 juli 2006 dat zij sinds medio mei 2006 bij een kennis in [plaatsnaam 2] heeft gewoond en dat zij begin juli 2006 samen met appellant is teruggekeerd naar het adres [adres 1] te [woonplaats]. Uit het rapport van 12 september 2006 blijkt voorts dat appellante op 7 juli 2006 heeft verklaard dat zij vanaf die datum weer in haar woning op het adres [adres 1] te [woonplaats] verblijft. Deze door appellante gegeven verklaringen vinden naar het oordeel van de Raad steun in de bevindingen van het op 28 juni 2006 gehouden huisbezoek op het adres [adres 1] te [woonplaats], dat de woning er erg kaal en onbewoond uit zag, en in de verklaring van getuige Bosma, die op 13 juli 2006 heeft verklaard dat appellante en de heer Lichter op 8 juli 2006 weer zijn teruggekomen op het adres [adres 1] te [woonplaats].

4.14. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat het slechts zou gaan om een tijdelijk verblijf buiten de gemeente Stadskanaal en dat zij haar woonplaats te [woonplaats] niet heeft prijsgegeven. Vaststaat dat appellante vanaf medio mei 2006 langer dan een maand onafgebroken feitelijk in [plaatsnaam 2] verbleef. De Raad ziet bovendien in de bevindingen van het op 28 juni 2006 gehouden huisbezoek aanleiding voor de conclusie dat appellante niet de intentie heeft gehad om binnen korte tijd naar het adres [adres 1] te [woonplaats] terug te keren. Voorts is noch uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht noch uit de stukken aannemelijk geworden dat appellante van plan was om zo spoedig mogelijk en op zeer korte termijn naar de gemeente Stadskanaal terug te keren.

4.15. Uit het vorenstaande volgt dat appellante in de periode van 1 juni 2006 tot en met 6 juli 2006 niet langer woonplaats had in de gemeente Stadskanaal en in deze periode derhalve geen recht had op bijstand jegens het College. Door hiervan aan het College geen mededeling te doen heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Dat betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 juni 2006 tot en met 6 juli 2006. Het College heeft daarbij gehandeld overeenkomstig de ter zake van intrekking geldende beleidsregels. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van deze beleidsregel had moeten afwijken.

4.16. De Raad is evenwel van oordeel dat ten aanzien van de periode van 7 juli 2006 tot en met 14 september 2006 besluit 1 een deugdelijke grondslag ontbeert. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onder rechtsoverweging 4.15 genoemde onderzoeksgegevens een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante ook in de periode van 7 juli 2006 tot en met 14 september 2006 op het adres [adres 1] te [woonplaats], gemeente Stadskanaal, verbleef. Dit betekent dat besluit 1 niet op een draagkrachtige motivering berust en daarom voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard, dan ook vernietigen.

4.17. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - besluit 1 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen, voor zover dit besluit ziet op de intrekking van de bijstand met ingang van 7 juli 2006.

4.18. De Raad ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van besluit 1 in stand te laten en overweegt daartoe als volgt. De beschikbare onderzoeksgegevens leiden de Raad tot de conclusie dat appellanten ten tijde van de hier door de Raad te beoordelen periode van 7 juli 2006 tot en met 14 september 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellante en dat appellante daarom niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De Raad acht in dit verband van doorslaggevende betekenis de verklaring van appellante van 27 juli 2006, waaruit zowel het gezamenlijk hoofdverblijf op het adres [adres 1] te [woonplaats] als de wederzijdse zorg van appellanten, in de hier te beoordelen periode genoegzaam blijkt. Door hiervan het College geen mededeling te doen heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Dat betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd is tot intrekking van de bijstand met ingang van 7 juli 2006. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van de ter zake te hanteren beleidsregel zou moeten afwijken.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit 1 gegrond;

Vernietigt besluit 1 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand met ingang van 7 juli 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van besluit 1 in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College het aan appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

mm