Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08-7077 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad is van oordeel dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Standaard niet leidt tot het aannemen van een urenbeperking. In hoger beroep is namens appellante een brief van 23 december 2009 van de fysio- en manueel therapeut M. Hes overgelegd, die appellante op verzoek van haar reumatoloog behandelt wegens een hypermobiliteitssyndroom. Van der Stoep heeft blijkens zijn rapportage van 5 januari 2010 daarin geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten gezien. De door Hes beschreven klachten acht hij bekend en de daaruit voortvloeiende functiebeperkingen zijn bij de beoordeling en het vaststellen van appellantes belastbaarheid betrokken. Van der Stoep handhaaft dan ook - onder gelijktijdige verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 4 januari 2010 - zijn eerder ingenomen standpunt. De Raad heeft geen aanknopingspunten dit standpunt voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7077 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2008, 08/2271 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is op het verweerschrift gereageerd en is een stuk van medische aard overgelegd.

Het Uwv heeft daarop gereageerd en rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.N. Westmaas-Kanhai.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 7 september 2006 heeft het Uwv appellante bericht dat er met ingang van 22 augustus 2006 voor haar geen recht is ontstaan op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.

1.2. Bij besluit van 9 februari 2007 heeft het Uwv het tegen het besluit van 7 september 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij uitspraak van de rechtbank van 20 november 2007, 07/1019, is het namens appellante tegen het besluit van 9 februari 2007 ingediende beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 februari 2007 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen. De uitspraak van de rechtbank berust kort samengevat op de overweging dat van de zijde van het Uwv onvoldoende is onderzocht en gemotiveerd waarom appellante in staat wordt geacht de haar voorgehouden functies zonder urenbeperking te vervullen, terwijl voor haar eigen functie een duurbeperking van 40% aangenomen wordt. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

3. 1. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv een nadere rapportage laten opstellen door bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep. In een rapportage van 30 januari 2008 heeft deze bezwaarverzekeringsarts tegen de achtergrond van de zogenoemde Standaard verminderde arbeidsduur (hierna: Standaard) zijn visie gegeven over de situatie van appellante. Van der Stoep wijst er op dat appellante een gewrichtsaandoening heeft, maar dat uit informatie van de behandelend reumatoloog blijkt dat er geen sprake is van arthrose in schouders, bekken, handen en voorvoeten. Hij wijst er tevens op dat arthrose doorgaans pijnklachten veroorzaakt. Gelet op het vorenstaande is Van der Stoep van opvatting dat er in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 januari 2007 ruimschoots aan appellantes klachten is tegemoet gekomen. Volgens Van der Stoep is er, als rekening wordt gehouden met de beperkingen die appellante als gevolg van haar klachten ondervindt, geen reden om de Standaard toe te passen. Hij acht appellantes opvatting dat zij in haar eigen werk beperkt is in het aantal te werken uren geen medisch objectiveerbare onderbouwing van de stelling dat zij niet voltijds zou kunnen functioneren binnen de grenzen van de FML.

3.2. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl in zijn rapportage van 1 februari 2008 uiteengezet dat appellantes maatgevende arbeid in volle omvang vanwege de daaraan verbonden fysieke inspanning met betrekking tot lopen, tillen en dragen, zitten en het uitvoeren van activiteiten met kinderen voor haar ongeschikt is. Wel is dit

werk - ook naar appellantes eigen mening - geschikt voor drie dagen per week. Van Zijl wijst er op dat eerdergenoemde bezwarende elementen in de aan appellante voorgehouden functies niet voorkomen en dat die functies - waarin sprake is van meer kantoorgebonden, zittende werkzaamheden - beter passen bij haar fysieke mogelijkheden. Ten slotte wijst Van Zijl er op dat het in het kader van de Wet WIA zaak is om een zo hoog mogelijke restverdiencapaciteit vast te stellen. Dat is mogelijk door uit te gaan van de praktische verdiensten van appellante, maar ook door middel van een theoretische schatting met behulp van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, zoals in het onderhavige geval. In hun rapportages van 8 april 2008 respectievelijk 18 april 2008 hebben Van der Stoep en Van Zijl hun bovenvermelde opvattingen in de kern herhaald.

3.3. Op basis van genoemde rapportages heeft het Uwv bij besluit van 22 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) het door appellante tegen het besluit van 7 september 2006 ingediende bezwaar wederom ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding is het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank kan zich voorts vinden in de overwegingen van de bezwaararbeidsdeskundige zoals die naar voren komen in diens rapportages van 1 februari 2008 en 18 april 2008.

5. In hoger beroep handhaaft appellante haar stelling dat zij ten onrechte geen medische urenbeperking heeft gekregen en dat het Uwv ten onrechte van haar oorspronkelijke maatmanfunctie is blijven uitgaan.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Het geschil betreft de vraag of het Uwv appellante terecht in staat heeft geacht tot het verrichten van voltijdse werkzaamheden, als behorende bij de aan appellante voorgehouden functies, alsmede de vraag waarom niet is uitgegaan door het Uwv van de werkzaamheden die appellante verricht in haar aangepaste functie, welke zij slechts in een beperkt aantal uren kan verrichten, terwijl de belasting ervan naar haar oordeel blijft binnen de ten aanzien van haar aangenomen belastbaarheid.

6.2. De Raad is met de rechtbank en op grond van de desbetreffende overwegingen in de aangevallen uitspraak van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het medisch onderzoek van het Uwv niet zorgvuldig is geweest en dat de medische beperkingen van appellante per de in geding zijnde datum 22 augustus 2006 door de verzekeringsartsen van het Uwv niet juist zijn vastgesteld of dat een urenbeperking aan de orde is. De Raad is van oordeel dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Standaard niet leidt tot het aannemen van een urenbeperking. Uit de stukken blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat de oorspronkelijke maatmanfunctie voor appellante niet passend is. Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Raad van 14 juni 2002 (LJN AE4904) is er alleen dan sprake van geschiktheid voor de (oorspronkelijke) maatmanarbeid als deze in volle omvang - zowel wat belasting als wat duur betreft - kan worden verricht. De Raad voegt daaraan met betrekking tot de onderhavige schatting toe dat uit de omstandigheid dat appellante haar huidige, aangepaste functie niet voltijds kan vervullen op zichzelf niet voortvloeit dat dat ook zou gelden voor andere functies. Wat er van de belasting in die functie ook zij, uit artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat die niet aan de onderhavige schatting ten grondslag kan worden gelegd. In hoger beroep is namens appellante een brief van 23 december 2009 van de fysio- en manueel therapeut M. Hes overgelegd, die appellante op verzoek van haar reumatoloog behandelt wegens een hypermobiliteitssyndroom. Van der Stoep heeft blijkens zijn rapportage van 5 januari 2010 daarin geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten gezien. De door Hes beschreven klachten acht hij bekend en de daaruit voortvloeiende functiebeperkingen zijn bij de beoordeling en het vaststellen van appellantes belastbaarheid betrokken. Van der Stoep handhaaft dan ook - onder gelijktijdige verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 4 januari 2010 - zijn eerder ingenomen standpunt. De Raad heeft geen aanknopingspunten dit standpunt voor onjuist te houden.

7. Uit het onder 6.1 en 6.2 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.L. de Gier.

EK