Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
09-722 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd, met de rechtbank en op de door de rechtbank daaromtrent gegeven overwegingen, geen reden om de geschiktheid van appellante voor de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies in twijfel te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/722 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2008, 08/158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn, onder bijvoeging van medische stukken, aanvullende gronden ingediend.

Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv met betrekking tot de van belang zijnde datum in geding nadere vragen gesteld aan psychiater W.M.J. Hassing, die door het Uwv in de bezwaarfase als deskundige was ingeschakeld en die op 26 augustus 2009 in verband met een herbeoordeling van appellante naar aanleiding van haar melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid wederom aan het Uwv had gerapporteerd.

Het Uwv heeft de door Hassing gegeven antwoorden en de reactie naar aanleiding daarvan door een bezwaarverzekeringsarts aan de Raad ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 juli 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 3 september 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is. Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 2 juli 2007 ongewijzigd vastgesteld.

1.2. Bij besluit van 5 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de tegen de besluiten van 2 juli 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig is geweest dan wel dat het tot onjuiste conclusies heeft geleid. Ook hetgeen namens appellante door maatschappelijk werker/administratief ondersteuner Sidali ter zitting is opgemerkt maakt niet dat de rechtbank tot een ander oordeel komt. Dit geldt eveneens voor de door appellante daags voor de zitting overgelegde informatie van haar psychiater S. Sidali, nu deze informatie naar het oordeel van de rechtbank niet ziet op de datum in geding. De rechtbank acht de aan appellante voorgehouden functies geschikt, nu het arbeid betreft waartoe appellante, gelet op de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, in staat is.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen, omdat dit berust op een onjuiste medische en arbeidskundige grondslag. Zij meent dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij niet in staat is de geduide functies te vervullen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar medische beperkingen per de in geding zijnde datum door bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst niet juist zijn vastgesteld. De Raad overweegt daartoe dat de beschikbare medische gegevens, afkomstig van de huisarts, internist, psychosociaal werker en fysiotherapeut, door Hulst in zijn beoordeling zijn betrokken. Daarnaast heeft Hulst in de bezwaarfase van de besluitvorming de expertise ingeroepen van psychiater W.M.J. Hassing. Deze concludeert in haar rapportage van 17 november 2007 ten aanzien van appellante tot een dysthyme stoornis en een gegeneraliseerde angststoornis bij een vrouw met ontwijkende persoonlijkheidstrekken en daarnaast veel lichamelijke klachten. Hulst acht appellante met het oog daarop, blijkens zijn rapportage van 22 november 2007, in staat tot het verrichten van arbeid, waarbij zijns inziens van belang is dat werk en werkomgeving in hoge mate zijn gestructureerd. Hij ziet geen reden een afgenomen handelingstempo aan te nemen. Het sociaal functioneren van appellante acht hij niet optimaal, hetgeen slechts ten dele uit de psychiatrische aandoening volgt. Op fysiek gebied ziet hij geen redenen voor beperkingen. Wel dient te worden gewaakt voor structurele bovennormale belasting. In het licht van de Standaard verminderde arbeidsduur ziet hij evenmin aanleiding voor een urenbeperking. Wel acht Hulst een regelmatig arbeidspatroon aangewezen. Vervolgens past hij, met inachtneming van het vorenstaande, de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in aanzienlijke mate aan.

4.2. In hoger beroep zijn namens appellante bij brief van 23 december 2009 aanvullende beroepsgronden ingediend, onder overlegging van een intakeverslag van 27 november 2007 van psychiater in opleiding A. Popma, verbonden aan GGZ buitenamstel, alsmede van een brief van 22 oktober 2008 van psychiater S. Sidali, eveneens verbonden aan GGZ buitenamstel. Uit de brief van 23 december 2009 blijkt onder meer dat appellante in het kader van een herbeoordeling door het Uwv naar aanleiding van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid op 24 augustus 2009 wederom door psychiater Hassing is onderzocht waarover zij op 26 augustus 2009 heeft gerapporteerd. Hassing concludeert in die rapportage tot een depressieve stoornis, eenmalig, matig en een dysthyme stoornis bij een vrouw met ontwijkende persoonlijkheidstrekken. Bezwaarverzekeringsarts Hulst heeft daarin aanleiding gezien Hassing bij brief van

29 december 2009 nadere vragen te stellen ten aanzien van de in het onderhavige geval van belang zijnde datum, op welke vragen zij in haar rapportage van 31 december 2009 heeft geantwoord. Hassing acht appellante in vergelijking met haar situatie in november 2007 in augustus 2009 (bijna twee jaar na haar eerste onderzoek) ernstiger depressief. Appellante voldeed in augustus 2009 aan de criteria van een matige depressie die gesuperponeerd was op een dysthyme stoornis. Hoewel er ook in augustus 2009 nog steeds angstklachten aanwezig waren, ziet Hassing deze vooral als onderdeel van de depressieve stoornis. Op grond daarvan kon zij de diagnose gegeneraliseerde angststoornis in augustus 2009 niet stellen. Met betrekking tot de stukken van GGZ buitenamstel motiveert Hassing dat haar diagnose in haar rapportage van 17 november 2007 in zekere mate afwijkt van die van GGZ buitenamstel bij gelegenheid van de intake van appellante. Zij achtte de depressieve klachten en symptomen minder ernstig en zag daarnaast vooral angstklachten en -symptomen bij een vrouw met ontwijkende persoonlijkheidstrekken. Hassing acht haar onderzoek in november 2007 zorgvuldig en tevens acht zij haar diagnose zorgvuldig tot stand gekomen. Zij ziet geen reden thans af te wijken van haar destijds gestelde diagnose. In zijn rapportage van eveneens 31 december 2009 reageert Hulst op de beantwoording van zijn vragen door Hassing. Hij acht die beantwoording duidelijk en nader commentaar overbodig. De Raad acht de reactie van Hulst niet inadequaat en komt, gelet op al het vorenstaande, tot het oordeel dat van de zijde van Hassing genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat er op de data in geding bij appellante sprake was van een minder ernstige medische situatie dan in augustus 2009. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien om een medische deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd, met de rechtbank en op de door de rechtbank daaromtrent gegeven overwegingen, geen reden om de geschiktheid van appellante voor de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies in twijfel te trekken.

5. Uit het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.L. de Gier.

JL