Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
09-1023 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering ingevolge de Wet WIA omdat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.

Geen overschatting van de belastbaarheid zoals die op basis van het verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek is neergelegd in de zogenoemde FML. Geen sprake van een onzorgvuldig onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts. Geschiktheid voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1023 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 26 januari 2009, 08/2443 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te `s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dijkgraaf. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is op 10 november 2005 uitgevallen met klachten aan de linkerhand en -pols voor haar werk als klasse-assistente. Op 17 juli 2007 heeft appellante een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft het Uwv op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 8 november 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.

2. Appellante heeft tegen het besluit van 1 oktober 2007 bezwaar gemaakt. Zij heeft haar bezwaar tijdens een hoorzitting toegelicht. Het Uwv heeft tevens een verklaring ontvangen van appellantes behandelend psycholoog L. Timmers, gedateerd

1 november 2007. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts M. Keus op 14 februari 2008 gerapporteerd. Daarin heeft deze arts geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante, zoals die op basis van het verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek is neergelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 augustus 2007, niet is overschat. Op basis van de bevindingen en conclusies van deze arts heeft het Uwv bij besluit van 22 februari 2008 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft tegen het besluit van 22 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen gegeven ter zake van het griffierecht en proceskosten. Zij heeft daartoe overwogen op basis van de voorhanden zijnde gegevens geen aanleiding te zien om het medisch onderzoek, zoals verricht voorafgaande aan het besluit van 1 oktober 2007 en door bezwaarverzekeringsarts Keus, onzorgvuldig en onjuist te achten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de beide artsen de door appellante naar voren gebrachte klachten, zowel de lichamelijke klachten als de psychische klachten, in hun oordeelsvorming betrokken en genoegzaam gemotiveerd waarom met de in de FML opgenomen beperkingen in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de klachten van appellante. Tevens heeft bezwaarverzekeringsarts Keus gemotiveerd aangegeven dat geen aanleiding bestaat tot het stellen van een medische urenbeperking. De door appellante ingebrachte informatie van de Arbo-dienst, haar huisarts en haar behandelend psychologen geeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. De rechtbank heeft evenwel het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat, naar het Uwv in beroep heeft te kennen gegeven, één van de aan de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag gelegde functies ten onrechte is betrokken bij de vaststelling van het verlies aan verdiencapaciteit. Omdat aan appellante nog een reservefunctie was voorgehouden, die naar het oordeel van de rechtbank - net als de andere twee aan appellante voorgehouden functies - in medisch opzicht voor haar geschikt zijn, kan alsnog het verlies aan verdiencapaciteit worden vastgesteld, hetgeen evenwel niet leidt tot indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Daarom heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4.1. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist. Zij heeft wederom als haar standpunt te kennen gegeven dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid bij het bestreden besluit is onderschat. Appellante is van mening dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en om die reden tot onjuiste bevindingen en conclusies heeft geleid. De inschatting van haar belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML, acht appellante onjuist en zij wijst daartoe op de gegevens van de bedrijfsarts en van haar behandelend artsen. Het totaalbeeld van haar klachten acht zij onderschat. Een en ander brengt mee dat de aan haar voorgehouden functies, die ten grondslag liggen aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, niet in medisch opzicht voor haar geschikt zijn.

4.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift aangegeven dat de ten aanzien van appellante opgestelde FML een juiste verwoording is van de fysieke en de psychische klachten van appellante en dat appellante, gelet op de ten aanzien van haar opgestelde FML, in staat is tot het vervullen van de aan haar voorgehouden functies.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat er geen grond is om zich niet te stellen achter de in hoger beroep aangevochten beslissing van de rechtbank en de aan die beslissing ten grondslag gelegde overwegingen.

5.2. In de voorhanden zijnde gegevens ziet de Raad geen grond om aan te nemen dat het onderzoek door de verzekeringsarts die de FML van 30 augustus 2007 heeft opgesteld of het onderzoek door bezwaarverzekeringsarts Keus onzorgvuldig is geweest. De Raad heeft geen aanleiding voor het oordeel dat er klachten van appellante over het hoofd zouden zijn gezien en ook niet voor het oordeel dat deze artsen het totaalbeeld van appellantes klachten, zowel de fysieke klachen als de psychische klachten, onjuist hebben gewaardeerd. Uitgaande van de juistheid van de opgestelde FML kan de Raad zich voorts vinden in het oordeel van de rechtbank dat de aan appellante voorgehouden functies productiemedewerker textiel (SBC-code 272043), productiemedewerker confectie (SBC-code 272042) en electronica monteur (SBC-code 267040) in medisch opzicht voor haar geschikt zijn en de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, als neergelegd in het bestreden besluit, kunnen dragen. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.L. de Gier.

KR