Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
09-816 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WAJONG-uitkering op de grond dat appellant op de dag dat hij 17 jaar werd niet arbeidsongeschikt was.

Is door het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist vastgesteld? De vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag mag niet louter speculatief van aard zijn en moet er enige concrete aanleiding bestaan voor de keuze van een bepaalde datum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/816 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2008, 08/1961 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schaik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.N. Westmaas.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1982, heeft op 31 augustus 2007 bij het Uwv een aanvraag ingediend om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

2. Appellant is daarop onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze heeft, onder meer na kennisneming van de brief van klinisch psycholoog/psychotherapeut H.G.J. Oldenhof, geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een obsessief-compulsief syndroom en dat appellant hierdoor per 29 november 2004 volledig arbeidsongeschikt dient te worden geacht. Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant op de dag dat hij 17 jaar werd niet arbeidsongeschikt was.

3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Na onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv is de eerste dag van arbeidsongeschiktheid herzien en vastgesteld op 1 december 2002. Bij besluit van 27 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts op inzichtelijke, logische en consistente wijze heeft onderbouwd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 december 2002 gesteld dient te worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geen medische gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat appellant eerder dan voornoemde datum zodanige klachten had dat hij als gevolg daarvan arbeidsongeschikt had moeten worden beschouwd rond zijn 17e verjaardag.

5. In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat er geen concrete aanleiding bestaat om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen op 1 december 2002. Appellant is van mening dat hij op of rond zijn 17e verjaardag wel degelijk arbeidsongeschikt was. Hij verwijst daartoe onder meer naar een tweetal brieven van Oldenhof.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Het geschil gaat om de vraag of het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist heeft vastgesteld. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld – onder meer in zijn uitspraak van 11 juli 2008 (LJN BD9290; gepubliceerd in USZ 2008/267) – mag de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet louter speculatief van aard zijn en moet er enige concrete aanleiding bestaan voor de keuze van een bepaalde datum. De Raad heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel de keuze van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden, met name nu deze aansluiting heeft gezocht bij hetgeen appellant op het spreekuur van de primaire verzekeringsarts heeft gezegd, namelijk dat hij zich eind 2002 bewust werd van zijn klachten en er toen pas hinder van ondervond, hetgeen leidde tot het zoeken van hulp in de vorm van een (eerste) bezoek aan zijn huisarts. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant in hetgeen hij heeft aangevoerd onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn klachten op of rond zijn 17e verjaardag zodanig waren, dat daardoor ook reeds beperkingen tot het verrichten van arbeid aanwezig waren. Appellant heeft in dit verband in hoger beroep geen nieuwe gegevens ingebracht die tot een ander oordeel dienen te leiden.

6.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.L. de Gier.

EK