Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
07-5340 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat de verzekeringsarts onzorgvuldig heeft gehandeld door geen expertiseonderzoek te laten verrichten. Uit het expertiserapport van 25 augustus 2005 van de psychiater W. Dominicus blijkt dat de depressie van appellant op dat moment al fors in remissie was en de verzekeringsarts na eigen onderzoek op 22 mei 2006 geconcludeerd dat de toestand was gestabiliseerd, zij het in een wankel evenwicht. De geduide functies worden als passend geacht zij het dat eerst in de fase van hoger beroep een voldoende draagkrachtige motivering is gegeven. Vernietiging uitspraak. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5340 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2007, 07/1079 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Kort-Schenk, juridisch medewerker van de Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als parttime boekverkoper. Vanaf 11 november 2003 ontving hij in verband met psychische klachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft in de zomer van 2006 een medisch en arbeidskundig onderzoek plaats gevonden. Bij besluit van 20 september 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 9 november 2006 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% onder de overweging dat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen.

1.3. Bij besluit van eveneens 20 september 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn uitkering over de periode van 22 augustus 2005 tot 27 december 2005 niet wordt uitbetaald wegens inkomsten uit arbeid over deze periode.

2. Appellant heeft tegen beide besluiten van 20 september 2006 bezwaar gemaakt. Nadat een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige rapport hadden uitgebracht heeft het Uwv bij besluit van 23 februari 2007 de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 20 september 2006 ongegrond verklaard.

3.1. Tegen het besluit van 23 februari 2007, voorzover dit betrekking heeft op de herziening van de WAO-uitkering per 9 november 2006, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld.

3.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft, kort weergegeven, de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de belasting in de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte afwijzend heeft beslist op zijn verzoek de mondelinge behandeling van de zaak op 9 augustus 2007 uit te stellen en dat de rechtbank ten onrechte de aangekondigde en op 16 augustus 2007 aan haar toegezonden stukken niet bij haar beoordeling heeft betrokken. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij niet had mogen worden herbeoordeeld nu er al een beoordeling heeft plaats gevonden in het tijdvak waarin hij op grond van het Besluit eenmalige herbeoordeling arbeidsongeschiktheidswetten daarvoor in aanmerking kwam. Voorts blijft appellant zich evenals in bezwaar en beroep op het standpunt stellen dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant informatie bijgevoegd uit zijn patiëntendossier van het Erasmus MC en een beschikking van 28 augustus 2009 met een WSW-indicatie. Appellant heeft ten slotte gewezen op zijn in bezwaar en beroep al aangevoerde gronden van arbeidskundige aard.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, daarbij verwijzend naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep van 7 september 2008. Voorts heeft het Uwv naar aanleiding van een vraag van de Raad nog een rapport van bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 20 november 2009 ingezonden waarin de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht nader wordt gemotiveerd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met een goede procesorde. Zoals blijkt uit de Procesregeling Bestuursrecht is het beleid met betrekking tot uitstelverzoeken stringent en wordt een dergelijk verzoek slechts in uitzonderlijke omstandigheden ingewilligd. Van uitzonderlijke omstandigheden is niet gebleken en appellant was in de gelegenheid zich ter zitting te laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Met haar brief van 7 augustus 2007 heeft de gemachtigde van appellant de rechtbank opnieuw meegedeeld dat van de zijde van appellant niemand ter zitting zou verschijnen en opgemerkt dat de uitspraak wellicht aangehouden zou kunnen worden tot na de in september 2007 te verwachten ontvangst van de opgevraagde medische gegevens. Naar het oordeel van de Raad hoefde de rechtbank hierin geen aanleiding te zien tot uitstel van de behandeling ter zitting op 9 augustus 2007.

5.2. De Raad is met het Uwv van oordeel dat uit de beschikbare gedingstukken voldoende duidelijk blijkt dat aan het bestreden besluit een professionele herbeoordeling ten grondslag ligt. Hiertoe is het Uwv ingevolge vaste rechtspraak op grond van artikel 23 van de WAO te allen tijde bevoegd. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH2445. Uit de gedingstukken blijkt voorts eveneens dat de herbeoordeling heeft plaats gevonden met toepassing van de bepalingen van het Schattingsbesluit zoals dat luidde vóór 1 oktober 2004, hetgeen gelet op het feit dat appellant is geboren voor 1 juli 1954 in overeenstemming is met artikel 34, vierde lid, van de WAO, zoals dat luidde vanaf 1 oktober 2004.

5.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag en onderschrijft de door de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Het door appellant in hoger beroep toegezonden patiëntendossier bevat een verslag van de teambespreking chronische pijn van 21 juni 2007, waarin, zoals de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep in zijn rapport van 7 september 2008 terecht opmerkt, een beschrijving wordt gegeven van de klachtenbeleving van appellant, maar waarin geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten worden vermeld die aanknopingspunten geven tot twijfel aan de juistheid van de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 februari 2007 neergelegde belastbaarheid van appellant.

5.4. De Raad merkt op dat, afgezien van de omstandigheid dat de WSW-indicatie dateert van bijna drie jaar na de in geding zijnde datum, de in die indicatie opgenomen medische beperkingen - met uitzondering van de beperking voor een hoog handelingstempo - vrijwel overeenkomen met de in de FML gestelde beperkingen. In de geduide functies komt deze belasting echter niet voor. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat de verzekeringsarts onzorgvuldig heeft gehandeld door geen expertiseonderzoek te laten verrichten. Uit het expertiserapport van 25 augustus 2005 van de

psychiater W. Dominicus blijkt dat de depressie van appellant op dat moment al fors in remissie was en de verzekeringsarts na eigen onderzoek op 22 mei 2006 geconcludeerd dat de toestand was gestabiliseerd, zij het in een wankel evenwicht.

5.5. De door appellant aangevoerde grieven tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit hebben betrekking op de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht en zijn door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft de geduide functies passend geacht. De Raad deelt deze opvatting, zij het dat naar zijn oordeel eerst in de fase van hoger beroep een voldoende draagkrachtige motivering is gegeven met het rapport van 20 november 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt, welk rapport van de zijde van appellant niet is weersproken.

De Raad zal om deze reden de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen, maar bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

6. De Raad ziet aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,00 voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 20,10 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 986,10.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 986,10

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 145,- (€ 39,- en € 106,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL