Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
06-7417 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De aan appellante voorgehouden functies acht de deskundige geen van alle geschikt voor appellante, gezien het sterk afgenomen denktempo en handelingstempo, de verstoring van de aandacht en de vervlakking van het gevoel. Het door de deskundige verrichte onderzoek acht de Raad volledig en zorgvuldig en de deskundige heeft naar aanleiding van de reactie van de bezwaarverzekeringarts van 12 juni 2009 zijn bevindingen serieus heroverwogen en is gemotiveerd bij zijn conclusie gebleven. Dr. Pieters is deskundig op het gebied van schildklierafwijkingen en uit zijn rapportages blijkt dat hij van doorslaggevende betekenis acht, dat de belastbaarheid van appellante sterk is afgenomen in verband met de in het voorjaar van 2005 ontstane ernstige hypothyreoïdie. Het bestreden besluit berust op een onjuiste medische grondslag. Vernietiging uitspraak. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7417 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 november 2006, 06/634, zoals hersteld bij uitspraak van 13 december 2006 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.M. Peperkamp, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2008, waar appellante met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en de deskundige dr. G.F.F.M. Pieters, internist-endocrinoloog te Nijmegen, verzocht appellante te onderzoeken en van verslag en advies te dienen.

Op 28 april 2009 heeft de deskundige rapport uitgebracht. Bij brief van 15 juni 2009 heeft het Uwv een reactie van de bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove ingezonden. Hierop heeft de deskundige gereageerd bij brief van 11 augustus 2009. Bij brief van 8 september 2009 heeft het Uwv een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts toegezonden.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 25 november 2009. Appellante is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.R.H. Barendregt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als parttime doktersassistente. Zij heeft zich op 29 juni 1999 ziek gemeld vanwege schildklierklachten. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft in de zomer van 2005 medisch en arbeidskundig onderzoek plaats gevonden. Naar aanleiding van de uitkomsten daarvan heeft het Uwv bij besluit van 15 september 2005 de uitkering ingetrokken met ingang van 16 november 2005, omdat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige rapport hadden uitgebracht heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 september 2005 ongegrond verklaard bij besluit van 30 januari 2006, hierna: het bestreden besluit.

3. De rechtbank heeft, met bepalingen ten aanzien van griffierecht en proceskosten, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat ten tijde van het nemen ervan naar haar oordeel de medische grondslag onvoldoende was. In de omstandigheid dat in de loop van de beroepsprocedure met een rapport van 21 juli 2006 van de bezwaarverzekeringsarts I.L. Hoornstra een voldoende medische onderbouwing is gegeven en voorts de arbeidskundige beoordeling aan de daaraan te stellen eisen voldoet heeft de rechtbank aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

4.1. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen, voor zover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Zij blijft van mening dat het Uwv haar belastbaarheid ten tijde in geding heeft overschat. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een rapport van 9 april 2007, aangevuld op 7 mei 2007 en 11 juni 2007, overgelegd van de verzekeringsarts/bedrijfsarts W.R. Eeuwen.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, daarbij verwijzend naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Hoornstra van 30 januari 2007, 20 april 2007, 23 mei 2007 en 2 juli 2007.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De door de Raad benoemde deskundige Pieters heeft in zijn rapport van 28 april 2009 geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een polyvalent orgaanspecifiek auto-immuunlijden. De situatie is ernstig verslechterd vanaf het voorjaar van 2005, toen een ernstige hypothyreoïdie ontstond. De deskundige kan zich niet verenigen met de door de bezwaarverzekeringsarts Hoornstra vastgestelde belastbaarheid per de in geding zijnde datum. In zijn aanvullend rapport van 11 augustus 2009 heeft de deskundige op een groot aantal punten in vrijwel alle rubrieken van de in geding zijnde Functionele Mogelijkheden Lijst van 11 juni 2007 aanvullende en zwaardere beperkingen gesteld. De aan appellante voorgehouden functies acht de deskundige geen van alle geschikt voor appellante, gezien het sterk afgenomen denktempo en handelingstempo, de verstoring van de aandacht en de vervlakking van het gevoel.

5.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten en omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Het door de deskundige verrichte onderzoek acht de Raad volledig en zorgvuldig en de deskundige heeft naar aanleiding van de reactie van de bezwaarverzekeringarts van 12 juni 2009 zijn bevindingen serieus heroverwogen en is gemotiveerd bij zijn conclusie gebleven.

Dr. Pieters is deskundig op het gebied van schildklierafwijkingen en uit zijn rapportages blijkt dat hij van doorslaggevende betekenis acht, dat de belastbaarheid van appellante sterk is afgenomen in verband met de in het voorjaar van 2005 ontstane ernstige hypothyreoïdie. Het bestreden besluit berust op een onjuiste medische grondslag.

5.3. Hetgeen in 5.1. en 5.2. is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover bestreden, niet in stand kan blijven.

6. De Raad ziet aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

EK