Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4277

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
09-2621 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De Raad is van oordeel dat de stukken die van de zijde van appellant in de bezwaarfase zijn overgelegd geen nieuwe feiten en omstandigheden bevatten, nu niet is gebleken dat deze stukken wezenlijk andere gegevens ten aanzien van de medische situatie van appellant vermelden dan waarmee het Uwv ten tijde van het nemen van het besluit van 29 november 1994 reeds bekend was. Hoewel het, gelet op zijn ziektebeeld, aannemelijk is dat appellant voorafgaand aan zijn eerste opname in september 1986 al gedurende kortere of langere perioden gezondheidsklachten had betekent dit nog niet dat er voor september 1986 al kon worden gesproken van duurzame beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. De Raad verwijst naar hetgeen in dit verband is opgemerkt door de bezwaarverzekeringsarts Brouwer in diens rapportages van 10 december 2007, 8 januari 2008 en 22 februari 2008 en 23 mei 2008. Wat er voorts ook zij van de gestelde onduidelijke of onvolledige toelichting bij het aanvraagformulier AAW, dit kan niet worden aangemerkt als een nieuw feit of gewijzigde omstandigheid. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren van deze bevoegdheid gebruik te maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2621 AAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2009, 08/1479 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.M. van der Windt hoger beroep gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigden J.M. van der Windt, wonende te Vlaardingen en drs. L.C. Zevering, bedrijfsarts te Delft. Het Uwv werd vertegenwoordigd door

mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant heeft bij formulier van 1 juli 1993, door de rechtsvoorganger van het Uwv ontvangen op 6 juli 1993, een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd. Op het formulier heeft appellant als eerste arbeidsongeschiktheidsdag aangegeven de datum 18 september 1986.

1.3. Bij besluit van 29 november 1994 is aan appellant ingaande 6 juli 1992 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is, uitgaande van de rapportage van de verzekeringsarts S.R. Portier van 24 september 1993, de eerste arbeidsongeschiktheidsdag gesteld op 1 september 1986 en bepaald dat er geen sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan de uitkering met een verdere terugwerkende kracht dan één jaar voor de datum aanvraag dient in te gaan.

2.1. In de zomer van 2007 is namens appellant aan het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 29 november 1994. Bij besluit van 18 juli 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld te blijven bij de beslissing van 29 november 1994. Alleen als appellant nieuwe of andere informatie geeft kan een andere beslissing worden genomen.

2.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 juli 2007. Onder meer in een brief van 11 februari 2008 heeft hij aangegeven dat hij vanaf september 1984 ernstige beperkingen had in zijn persoonlijk en sociaal functioneren en dat hij vanaf die tijd nauwelijks meer kon studeren en frequent verschillende predikanten, een psychotherapeut en een studentenpsycholoog heeft bezocht. Appellant heeft voorts een bewijs van betaling van een eigen bijdrage overgelegd in verband met een opname in een crisiscentrum te Haarlem van 25 tot 26 juli 1985, een brief van het Delta ziekenhuis van 24 november 1986 in verband met een gedwongen opname van 27 september 1986 tot en met

27 oktober 1986, een brief van de Stichting Centrum St. Bavo van 6 mei 1987 in verband met een opname van 26 april 1987 tot 1 mei 1987 en een brief van Psychiatrisch Centrum Joris van 11 september 1991, waarin wordt vermeld dat appellant in 1986 vrij plotseling onverwacht psychotisch is geworden.

2.3. Het bezwaar van appellant is, nadat de bezwaarverzekeringsarts rapport had uitgebracht, bij besluit van 26 februari 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv het bij het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die aanleiding geven de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op een eerder tijdstip vast te stellen dan 1 september 1986.

3.1. In beroep heeft appellant informatie overgelegd, waaronder verklaringen van mensen die hem in de tachtiger jaren kenden, waaruit naar zijn mening blijkt dat hij eerder arbeidsongeschikt was dan op 1 september 1986. Daarop is gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts.

3.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het door het Uwv gehandhaafde standpunt.

4. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant aangevoerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag destijds onjuist is vastgesteld. De toelichting bij het aanvraagformulier AAW was onvolledig, zodat het appellant niet kenbaar was welke gegevens in het kader van de aanvraag van belang waren. Er is destijds onvoldoende medisch onderzoek gedaan. Uit de stukken blijkt dat appellant reeds voor 1 oktober 1984 beperkt was ten gevolge van schizofrenie. De bezwaarverzekeringsarts heeft verzuimd te beoordelen of er gebreken kleven aan het besluit van 29 november 1994 en naar de mening van appellant had het Uwv tot een volledige herbeoordeling moeten overgaan.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er voor het Uwv in het kader van artikel 4:6 van de Awb aanleiding bestond om de bij het in rechte onaantastbaar geworden besluit op 1 september 1986 vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag op een eerder tijdstip vast te stellen.

5.3. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Een verplichting hiertoe bestaat echter niet. In het onderhavige geval is het Uwv niet tot volledige heroverweging van de beslissing van 29 november 1994 overgegaan. En ook al zou dit wel het geval zijn geweest dan had zulks ingevolge vaste rechtspraak niet de weg kunnen openen naar een toetsing door de rechter als betrof het bestreden besluit een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Bij de beantwoording van die vraag kan de rechter slechts acht slaan op feiten en omstandigheden die uiterlijk in de bezwaarfase door de betrokkene naar voren zijn gebracht. Het bestuursorgaan heeft zijn besluit immers uitsluitend op die feiten en omstandigheden kunnen baseren.

5.4. De Raad is van oordeel dat de stukken die van de zijde van appellant in de bezwaarfase zijn overgelegd geen nieuwe feiten en omstandigheden in voormelde zin bevatten, nu niet is gebleken dat deze stukken wezenlijk andere gegevens ten aanzien van de medische situatie van appellant vermelden dan waarmee het Uwv ten tijde van het nemen van het besluit van 29 november 1994 reeds bekend was. Hoewel het, gelet op zijn ziektebeeld, aannemelijk is dat appellant voorafgaand aan zijn eerste opname in september 1986 al gedurende kortere of langere perioden gezondheidsklachten had betekent dit nog niet dat er voor september 1986 al kon worden gesproken van duurzame beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. De Raad verwijst naar hetgeen in dit verband is opgemerkt door de bezwaarverzekeringsarts Brouwer in diens rapportages van 10 december 2007, 8 januari 2008 en 22 februari 2008 en 23 mei 2008. Wat er voorts ook zij van de gestelde onduidelijke of onvolledige toelichting bij het aanvraagformulier AAW, dit kan niet worden aangemerkt als een nieuw feit of gewijzigde omstandigheid.

5.5. Het Uwv was dan ook bevoegd het onderhavige verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te verwijzen naar het besluit van 29 november 1994. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren van deze bevoegdheid gebruik te maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5.6. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

II. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK