Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4271

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
09-3600 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering. Appellant heeft tegenover de Raad niet aannemelijk kunnen maken dat het Uwv bij het bestreden besluit zijn belastbaarheid heeft overschat en ten onrechte heeft gesteld dat appellant, gelet op de ten aanzien van hem aangenomen belastbaarheid, geschikt is voor de hem voorgehouden functies. Geen benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3600 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2009, 07/3393 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Madern. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Vanaf 30 mei 2000 ontvangt appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), aanvankelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en sinds 14 juli 2002 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. Bij besluit van 27 april 2007 heeft het Uwv op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 65 tot 80% en de WAO-uitkering om die reden niet herzien.

2. Appellant heeft tegen het besluit van 27 april 2007 bezwaar gemaakt. In het kader van de behandeling van dit bezwaar heeft P. van Zalinge, bezwaarverzekeringsarts, informatie gevraagd en verkregen van de huisarts van appellant. In haar rapport van 10 oktober 2007 heeft zij van haar bevindingen en conclusies verslag gedaan en zij heeft in dat verband gemotiveerd aangegeven waarom zij van mening is dat de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), opgesteld in het kader van de voorbereiding van het besluit van 27 april 2007, dient te worden aangepast. Op basis van de aangepaste FML, gedateerd 10 oktober 2007, heeft bezwaararbeidsdeskundige B. van Eck, blijkens diens rapportage van 30 oktober 2007, de aan appellant voorgehouden functies opnieuw bezien en geconcludeerd dat vier van de vijf functies nog voor appellant geschikt zijn, op grond waarvan een zodanig verlies aan verdiencapaciteit bestaat dat indeling in de klasse 65 tot 80% nog steeds juist is. Op grond van de rapportages van Van Zalinge en Van Eck heeft het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van 2 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft tegen het besluit van 2 november 2007 (hierna: bestreden besluit) beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dit beroep ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen, waarbij onder eiser appellant dient te worden verstaan en onder verweerder het Uwv:

“6. Er is geen grond voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben dossierstudie verricht, eiser is zowel door de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts gezien en onderzocht. Voorts is acht geslagen op alle voorhanden zijnde gegevens van de maag-, darm- leverarts, psychiater, internist en huisarts van eiser. Deze informatie is betrokken bij de oordeelsvorming. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier voldoende onderzoeksgegevens om op een verantwoorde wijze tot een afgewogen medisch oordeel te kunnen komen en een inschatting van de belastbaarheid van eiser te kunnen maken.

7. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 10 oktober 2007. De rechtbank stelt vast dat de argumentatie en bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts schriftelijk zijn vastgelegd en dat de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts naar behoren zijn gemotiveerd.

De primaire verzekeringsarts heeft de diagnose hypothyroïdie, hepatitis B (serumhepatitis) en C (non-A-non-B) gesteld. Volgens hem kunnen hieruit de gewrichtsklachten en de vermoeidheidsklachten worden verklaard. Ook wordt dit geheel volgens de verzekeringsarts ondersteund door de aanwezige informatie van de behandelende sector en gedeeltelijk door het door hem verrichte lichamelijke onderzoek. Op grond hiervan heeft de verzekeringsarts beperkingen bij statische houdingen en dynamische handelingen opgenomen. Vanwege de nog steeds ervaren beperkingen van eisers mentale spankracht wordt er bij persoonlijk en sociaal functioneren rekening gehouden met beperkingen. Ook geldt er een urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts kan zich niet in de diagnose hepatitis C vinden en meent dat de hypthyroïdie goed is ingesteld, zodat er geen verklaring is voor de vermoeidheidsklachten. Voor een urenbeperking op grond van energetische klachten ingevolge de ‘Standaard verminderde arbeidsduur’ is geen aanleiding. Ook acht zij eiser minder beperkt, aangezien uit de voorhanden zijnde medische informatie niet alle aandoeningen, waar de verzekeringsarts vanuit is gegaan, kunnen worden bevestigd. Ten aanzien van de psychische beperkingen overweegt de bezwaarverzekeringsarts dat eiser zich thans in een stabiele periode bevindt, zodat er op dit gebied geen aanleiding meer is voor beperkingen. De rechtbank kan dit oordeel volgen, gelet op de medische informatie die in bezwaar is ontvangen.

Eisers stelling dat hij volledig arbeidsongeschikt is en/of dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn lichamelijke en psychische beperkingen heeft hij met geen enkel medisch stuk doen ondersteunen. Ook overigens ziet de rechtbank in alle voorhanden zijnde medische stukken onvoldoende aanknopingspunten voor dat standpunt.

Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd het bestreden besluit op de deugdelijke grondslag is gebaseerd.”

Vervolgens beantwoordt de rechtbank de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies terecht geschikt zijn geacht voor appellant bevestigend.

4.1. In hoger beroep heeft appellant de eerder in de procedure aangevoerde gronden herhaald. Naar appellant stelt, is de mate van zijn arbeidsongeschiktheid 80 tot 100%. Hij heeft daarbij aangegeven dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn klachten in voldoende mate in de ten aanzien van hem opgestelde FML zijn verwoord. Appellant heeft gesteld dat het in de rede had gelegen om een deskundige te raadplegen ter zake van zijn psychische klachten. Hij kan, zo heeft hij tevens nog gesteld, de aan hem voorgehouden functies niet vervullen.

4.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift aangegeven zich volledig te kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak en het heeft om die reden verzocht om die uitspraak te bevestigen.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. In hoger beroep heeft appellant inhoudelijk geen andere gronden aangevoerd dan die welke door hem in beroep reeds waren ingebracht. De Raad stelt zich ter zake van die gronden achter het door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel en achter de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd (zie onder 3). Appellant heeft ook tegenover de Raad niet aannemelijk kunnen maken dat het Uwv bij het bestreden besluit zijn belastbaarheid heeft overschat en ten onrechte heeft gesteld dat appellant, gelet op de ten aanzien van hem aangenomen belastbaarheid, geschikt is voor de hem voorgehouden functies. De Raad ziet dan ook geen grond om het verzoek om alsnog een deskundige te benoemen in te willigen. Het hoger beroep treft derhalve geen doel.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.L. de Gier.

KR