Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
08-152 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering. De Raad vindt in de gedingstukken geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Om deze reden is er geen aanleiding een nader medisch onderzoek op te dragen aan een deskundige. Naar het oordeel van de Raad is voorts in de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages een overtuigende motivering gegeven met betrekking tot de geschiktheid in medisch opzicht van de functies waarop de schatting is gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/152 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2007, 07/1364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009, waar appellante met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 6 maart 2007 heeft het Uwv een eerder besluit gehandhaafd, waarbij appellante met ingang van 31 maart 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. Tegen het besluit van 6 maart 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskostenvergoeding - het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het uit artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeiende verbod van gesplitste besluitvorming. De rechtbank heeft aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven nu dit besluit naar haar oordeel op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.

4.1. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Zij heeft in hoger beroep herhaald dat zij klachten heeft van het gehele bewegingsapparaat en dat de daaruit voortvloeiende medische beperkingen van de zijde van het Uwv zijn onderschat. Appellante meent dat ten onrechte geen urenbeperking is gesteld. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een brief van 13 oktober 2008 van haar behandelend reumatoloog K.H. Han overgelegd. Appellante heeft verder verzocht een nader onderzoek te laten instellen door een deskundige.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Hetgeen appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Uit de Functionele Mogelijkheden Lijst van 21 juni 2005 blijkt dat, uitgaande van een status na een wervelfractuur en een fibromyalgiesyndroom, een ruime hoeveelheid beperkingen is aangenomen ten aanzien van het dynamisch en statisch handelen. De bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest heeft in haar rapport van 7 februari 2007 gemotiveerd aangegeven waarom een urenbeperking niet is aangewezen. Zij heeft er voorts in haar rapport van 5 november 2008 op gewezen dat de in hoger beroep door appellante ingebrachte medische informatie berust op een onderzoek van de reumatoloog Han van ruim vier jaar nĂ¡ de in geding zijnde datum. Han geeft aan dat er in 2004 geringe degeneratieve afwijkingen zijn vastgesteld, die passen bij een fibromyalgiesyndroom en dat onderzoek van de lumbale wervelkolom in 2008 geen duidelijke bewegingsbeperking oplevert. Volgens de bezwaarverzekeringsarts kan hierin geen aanleiding gevonden worden om meer beperkingen aan te nemen. Deze opvatting is door appellante niet meer weersproken en de Raad vindt in de voorhanden zijnde gedingstukken geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Om deze reden is er geen aanleiding een nader medisch onderzoek op te dragen aan een deskundige.

5.2. Naar het oordeel van de Raad is voorts in de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages een overtuigende motivering gegeven met betrekking tot de geschiktheid in medisch opzicht van de functies waarop de schatting is gebaseerd.

6. Hetgeen in 5.1 en 5.2 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op10 februari 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.C.A. Wit.

KR