Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
08-3003 ZW + 08-3006 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) intrekking WAO-uitkering. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts gevolgd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is en er geen aanleiding is de vastgestelde beperkingen onjuist te achten. De stelling van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts toepassing diende te geven aan de verzekeringsgeneeskundige protocollen depressieve stoornis en angststoornissen moet worden verworpen, nu deze eerst met ingang van respectievelijk 1 juli 2007 en 1 oktober 2007 in werking zijn getreden en in dit geding de situatie per 21 juni 2007 ter beoordeling staat. Anders dan appellant ziet de Raad niet in dat het Uwv gehouden is de motivering van de medische grondslag - vooruitlopend op de inwerkingtreding ervan - overeenkomstig de protocollen in te richten. Geen aanleiding voor inwilliging van het verzoek van appellant om onderzoek te laten verrichten door een deskundige psychiater, psycholoog of orthopeed. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van de functies genoegzaam is toegelicht. 2) beëindiging ZW-uitkering. Appellant is terecht in staat geacht (tenminste één van) de geselecteerde functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3003 ZW + 08/3006 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 april 2008, 07/4102, 07/4103 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.W. Ketelaars, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ketelaars. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

08/3006 WAO

1.1. Appellant heeft een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is door het Uwv herbeoordeeld. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht op het spreekuur. De beperkingen van appellant zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten en het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 13%. Het Uwv heeft bij besluit van 25 april 2007 de uitkering van appellant per 21 juni 2007 ingetrokken, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

1.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant onderzocht en geconcludeerd dat de beperkingen juist zijn weergegeven op de FML. Het tegen het besluit van 25 april 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 november 2007 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.4. In beroep hebben de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige nadere onderbouwingen van bestreden besluit 1 gegeven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellant in staat is geacht de geselecteerde functies te verrichten en het verlies aan verdiencapaciteit alsnog vastgesteld op 14,3%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is en er geen aanleiding is de vastgestelde beperkingen onjuist te achten. Voorts is geoordeeld dat de arbeidskundige bezwaren ten onrechte niet in de bezwaarfase aan de bezwaararbeidsdeskundige zijn voorgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is mede gelet op de in beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op minder dan 15%. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven, het Uwv veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht vergoedt.

3.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat op de FML onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische en lichamelijke klachten. Volgens appellant is hij ADL-afhankelijk als gevolg van klachten die verband houden met een somatisatiestoornis. Als appellant tussen de mensen komt ontstaat grote weerstand en spanning. Er is sinds de voorgaande herbeoordeling in 2004 geen verbetering in de psychische klachten opgetreden. Hij gebruikt nog steeds anti-depressiva. Appellant stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met astma, hooikoorts en hartkloppingen. Voorts is gewezen op een rapport van zelfstandig arbeidsdeskundige Spanjers, waarin is betoogd dat het rapport van de verzekeringsarts niet consistent is en dat rugbeperkingen en een beperking voor tocht in de FML tot uitdrukking moeten worden gebracht.

3.2. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat geen sprake is van evidente psychopathologie. Appellant lijdt aan spanningsklachten bij stress en een beperkt copingmechanisme. Van een somatisatiestoornis is geen sprake. Wel heeft de bezwaarverzekeringsarts geconstateerd dat appellant zijn psychische klachten somatiseert, hetgeen inhoudt dat mentale spanning wordt omgezet in lichamelijke klachten. De maagklachten en hartkloppingen passen in het beeld van onverklaarbare lichamelijke klachten. In reactie op informatie van de huisarts heeft de bezwaarverzekeringsarts toegelicht dat de pijnklachten geen reden zijn om geen zware werkzaamheden te verrichten. Het gebruik van de door de huisarts voorgeschreven pijnstillers geeft geen aanleiding meer beperkingen te stellen. De bezwaarverzekeringsarts meent dat een activerende aanpak noodzakelijk is. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook in het rapport van Spanjers geen aanleiding gezien meer beperkingen aan te nemen. De door Spanjers aangehaalde opmerking van de verzekeringsarts dat het raadzaam is bij re-integratie rekening te houden met rugklachten ziet op geleidelijke opbouw van de werkzaamheden en betekent niet dat appellant blijvend buiten staat is normaal werk te doen. Een beperking voor tocht is niet nodig aangezien appellant in staat is met goede kleding de lichaamstemperatuur te handhaven. Voorts is op de FML rekening gehouden met luchtwegproblematiek.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts gevolgd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is en er geen aanleiding is de vastgestelde beperkingen onjuist te achten.

4.2. De stelling van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts toepassing diende te geven aan de verzekeringsgeneeskundige protocollen depressieve stoornis en angststoornissen moet worden verworpen, nu deze eerst met ingang van respectievelijk 1 juli 2007 en 1 oktober 2007 in werking zijn getreden en in dit geding de situatie per 21 juni 2007 ter beoordeling staat. Anders dan appellant ziet de Raad niet in dat het Uwv gehouden is de motivering van de medische grondslag - vooruitlopend op de inwerkingtreding ervan - overeenkomstig de protocollen in te richten.

4.3. In hoger beroep heeft appellant een door de huisarts ondertekend, ongedateerd formulier voor aanmelding bij de GGZ overgelegd. Ter zitting is namens appellant verklaard dat behandeling bij de GGZ - waarschijnlijk - medio 2008 heeft plaatsgevonden. De overgelegde informatie leidt naar het oordeel van de Raad niet tot twijfel aan de juistheid van de per de datum in geding vastgestelde beperkingen.

Ook de stelling die erop neerkomt dat de GGZ zou weigeren informatie over deze behandeling over te leggen, leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de beperkingen, nu aangenomen moet worden dat deze behandeling eerst geruime tijd na de datum in geding is ingezet.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad geen aanleiding voor inwilliging van het verzoek van appellant om onderzoek te laten verrichten door een deskundige psychiater, psycholoog of orthopeed.

4.5. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 overweegt de Raad dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebaseerd is op tenminste drie functies. De Raad ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant deze functies niet zou kunnen verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de door hem geselecteerde functies passend zijn. Appellant heeft verwezen naar de door Spanjers opgeworpen kritiekpunten met betrekking tot de passendheid van de functies. De Raad constateert dat de bezwaararbeidsdeskundige in beroep deze punten inzichtelijk heeft toegelicht. Deze toelichtingen zijn door appellant in hoger beroep niet weersproken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van de functies genoegzaam is toegelicht.

4.6. In het rapport van Spanjers is de berekening van het maatmaninkomen betwist. Ter zitting van de Raad is aangegeven dat de daarop betrekking hebbende grief niet langer wordt gehandhaafd. Voorts heeft appellant gesteld dat de urenomvang van de maatman door de (bezwaar)arbeidsdeskundige ten onrechte is vastgesteld op 39,75 uur per week inclusief 2,25 uur overwerk, omdat appellant in de maatmanfunctie 39,75 zou hebben gewerkt exclusief overwerk. Blijkens de gedingstukken heeft de (bezwaar)arbeidskundige deze vaststelling gebaseerd op de WAO-aanvraag van 1 maart 1999, waarin is vermeld dat de voltijd-arbeidsduur bij drieploegendienst 37,5 uur per week is. Nu appellant voorts zijn stelling niet met enig schriftelijk stuk heeft onderbouwd, moet deze stelling worden verworpen.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

08/3003 ZW

6. Op 19 juli 2007 heeft appellant zich ziekgemeld in verband met psychische klachten en lage-rugklachten vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving. De verzekeringsarts heeft onderzoek verricht en geconcludeerd dat appellant in staat is één van de in het kader van de WAO geselecteerde functies te verrichten. Bij besluit van 11 oktober 2007 is de uitkering ingevolge de Ziektewet per 11 oktober 2007 beëindigd. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant gesproken op de hoorzitting en eveneens onderzoek verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de in het kader van de WAO-beoordeling opgestelde FML per 11 oktober 2007 onverminderd van kracht is en dat appellant geschikt is voor de daarbij geselecteerde functies. Bij besluit van 13 november 2007 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2007 ongegrond verklaard.

7. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant terecht in staat geacht (tenminste één van) de geselecteerde functies te verrichten.

8. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat zijn medische klachten ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen en hij op de datum in geding niet in staat was de functies te verrichten. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat appellant per die datum in staat is (tenminste één van) de geselecteerde functies te verrichten.

9. De Raad overweegt als volgt.

9.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt niet met medische informatie onderbouwd. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat appellant niet in staat is (tenminste één van) de geselecteerde functies te verrichten.

9.2. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard, moet worden bevestigd.

10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten in zaak 08/3006 WAO en Bevestigt de aangevallen uitspraak in zaak 08/3003 ZW.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR