Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
08-6813 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindigen recht op ziekengeld. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Blanker onzorgvuldig, dan wel de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat Blanker dossierstudie heeft verricht en appellant vervolgens op het spreekuur van 5 maart 2008 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. Blanker heeft in zijn rapportage van 5 augustus 2008 naar het oordeel van de Raad afdoende gemotiveerd dat op basis van deze informatie fysiek zware arbeid vermeden dient te worden, maar geen basis vormt om de eigen arbeid niet als passend aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6813 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 oktober 2008, 08/2771 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E.C. Spiering, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als fulltime re-integratiebegeleider, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 31 oktober 2006 ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Tijdens het laatste spreekuur van 15 januari 2008 wordt appellant met ingang van 21 januari 2008 hersteld verklaard voor zijn eigen werk van re-integratiebegeleider. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 21 januari 2007 (lees: 2008) geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Bij besluit van 5 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 januari 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 5 maart 2008, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verkaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

3. In hoger beroep heeft appellant – onder verwijzing naar de gronden in beroep – aangevoerd dat, nu het werk van re-integratiebegeleider tevens autorijden omvat, hij door de duizeligheid, vermoeidheid en een klapvoet niet in staat is dit werk uit te voeren. Tevens is de noodzaak om te kunnen vertreden in dit werk groter dan de werkdruk toelaat, aldus appellant.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Blanker onzorgvuldig, dan wel de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat Blanker dossierstudie heeft verricht en appellant vervolgens op het spreekuur van 5 maart 2008 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. Bij de beoordeling heeft de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de neuroloog van 4 december 2007 meegewogen. Het psychisch onderzoek leverde volgens Blanker geen relevante beperkingen op en lichamelijk geldt voor appellant dat, vanwege de been- en rugklachten en de vermoeidheidsproblemen, zwaardere fysieke arbeid vermeden moet worden. Nu echter het eigen werk van appellant volgens de bezwaarverzekeringsarts fysiek geenszins zwaar is, kan het eigen werk als passend worden geacht. Uit de in beroep overgelegde informatie van de huisarts van 25 juli 2008 met daarbij gevoegd informatie van enkele medische specialisten blijkt dat appellant bekend is met DM type II, obesitas, hoge bloeddruk, slaapstoornissen en vanaf maart 2008 met klachten geduid als claudicatio, maar dat voor de lage rugklachten geen orthopedische en neurologische verklaring bestaat. Daarna heeft appellant in april 2008 een neurologisch onderzoek ondergaan in verband met dubbelzien. Blanker heeft in zijn rapportage van 5 augustus 2008 naar het oordeel van de Raad afdoende gemotiveerd dat op basis van deze informatie fysiek zware arbeid vermeden dient te worden, maar geen basis vormt om de eigen arbeid niet als passend aan te merken.

4.3. Uit de door appellant ingevulde werkomschrijving van 30 november 2006 blijkt niet dat autorijden een belastend onderdeel vormde van het werk als re-integratiebegeleider. Tevens heeft, zoals is aangegeven in de rapportage van 5 maart 2008, het lichamelijk onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts Blanker geen beperkingen opgeleverd die voortvloeiden uit klachten naar aanleiding van een eventuele klapvoet. Uit de in beroep overgelegde medische informatie is zulks, gelet op de rapportage van Blanker van 5 augustus 2008, ook niet gebleken. Nu Blanker de duizeligheids- en vermoeidheidsklachten wel heeft beoordeeld in het licht van de – door appellant beschreven – aard en de zwaarte van de functie van re-integratiebegeleider, ziet de Raad in hetgeen in hoger beroep zonder nadere onderbouwing is aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 21 januari 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR