Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
08-6392 ZW + 08-6395 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Besluit 1: De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van hun bevindingen tot een afgewogen oordeel zijn gekomen over de bij appellante aanwezige beperkingen en de belasting in de functie van chrysantenplukster. Appellante heeft in beroep of hoger beroep geen informatie overgelegd die leidt tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De Raad kan appellante dan ook niet volgen in haar stelling dat het Uwv een deskundige had moeten inschakelen. Naar het oordeel van de Raad is appellante terecht per 20 april 2007 geschikt geacht voor de functie van chrysantenplukster. Besluit 2: Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA kan de verzekerde pas aanspraak maken op een uitkering op grond van die wet nadat een wachttijd van 104 weken is verstreken. Appellante heeft zich per 16 augustus 2005 ziekgemeld. Hiervoor is geoordeeld dat de ZW-uitkering terecht per 20 april 2007 is beëindigd. Daarmee staat vast dat appellante de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen, zodat niet is voldaan aan deze voorwaarde voor het ontstaan van recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6392 ZW + 08/6395 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 oktober 2008, 07/7156, 07/7304 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich vanuit een situatie waarin zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving per 16 augustus 2005 ziekgemeld wegens pijnklachten in rug, nek, schouder en bovenbeen voor de functie van chrysantenplukster. Appellante heeft het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft appellante per

20 april 2007 hersteld verklaard voor haar functie van chrysantenplukster. Bij besluit van 19 april 2007 is de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) beëindigd.

1.2. Bezwaarverzekeringsarts Van Arkel heeft appellante onderzocht op het spreekuur, informatie van behandelaars ingewonnen en geconcludeerd dat appellante per 20 april 2007 geschikt is voor de functie van chrysantenplukster. Bij besluit van 20 september 2007 (hierna: bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2007 ongegrond verklaard.

1.3. Appellante heeft in april 2007 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 16 mei 2007 is vastgesteld dat appellante geen recht heeft op WIA-uitkering, op de grond dat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat zij wegens ziekte 104 weken haar werk niet of niet volledig heeft kunnen doen. Bij besluit van 27 september 2007 (hierna: bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2007 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Met betrekking tot bestreden besluit 1 heeft de rechtbank de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts gevolgd.

2.2. Met betrekking tot bestreden besluit 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu zij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond heeft verklaard, is komen vast te staan dat appellante de wettelijke wachttijd van 104 weken niet heeft voltooid.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft de functie van chrysantenplukster die appellante voor haar ziekmelding per 16 augustus 2005 heeft verricht als “zijn arbeid” in de hiervoor bedoelde zin aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is de bezwaarverzekeringsarts van een juiste maatstaf uitgegaan.

3.3. Appellante heeft gesteld dat haar situatie per 20 april 2007 niet verbeterd was. Zij heeft psychosociale problemen, onverklaarbare fysieke pijn, angstklachten en zij lijdt aan een depressie. Zij wijst erop dat psychologische behandelingen geen resultaat hebben gehad. Het Uwv heeft naar haar mening ten onrechte geen deskundige ingeschakeld.

3.4. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben inlichtingen ingewonnen bij PsyQ, bij welke instelling appellante in januari 2006 is aangemeld in verband met psychosociale problemen. Arts De Koning en psychiater Wolters van PsyQ hebben in juni 2006 aangegeven dat appellante lijdt aan een somatoforme stoornis NAO en een depressieve periode. In augustus 2007 hebben de (klinisch) psychologen Lansbergen-de Vette en Jonker van PsyQ aangegeven dat appellante vanaf juli 2006 onder psychologische behandeling is voor het leren omgaan met onverklaarde fysieke pijn, en dat de behandeling werd belemmerd door een depressie. Voorts wijzen de psychologen op een traumatiserende ervaring waarbij appellante door de politie zou zijn opgepakt, welke gebeurtenis de vorderingen teniet heeft gedaan. In een brief van 30 maart 2007 heeft psychiater Kwidana van PsyQ verklaard dat bij appellante een somatoforme stoornis NAO en depressieve stoornis zijn vastgesteld en dat medicatie en psychologische behandeling een matige verbetering van de klachten gaven.

3.5. Bezwaarverzekeringsarts Van Arkel heeft overwogen dat de psychische klachten niet zodanig zijn dat ze appellante ongeschikt maken voor haar arbeid. De beschreven gebeurtenis waarbij appellante zou zijn opgepakt is niet van medische aard en weegt niet mee bij de ZW-beoordeling. In een nadere motivering heeft bezwaarverzekeringsarts Blanker aangegeven dat de opvallendste belastingkenmerken van de functie zijn: reiken, buigen, duwen, trekken, tillen/dragen en gebogen actief zijn. Appellante kon daartoe in staat worden geacht. Volgens Blanker is geen sprake van fors beperkende rugpathologie, maar van aspecifieke lage rugklachten. De informatie van de fysiotherapeut is in overeenstemming met deze bevindingen. Blanker heeft voorts overwogen dat de functie chrysantenplukster ook psychisch binnen de mogelijkheden van appellante ligt. Het betreft eenvoudige, overzichtelijke arbeid.

3.6. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van hun bevindingen tot een afgewogen oordeel zijn gekomen over de bij appellante aanwezige beperkingen en de belasting in de functie van chrysantenplukster. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig. Appellante heeft in beroep of hoger beroep geen informatie overgelegd die leidt tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De Raad kan appellante dan ook niet volgen in haar stelling dat het Uwv een deskundige had moeten inschakelen. Naar het oordeel van de Raad is appellante terecht per 20 april 2007 geschikt geacht voor de functie van chrysantenplukster. Derhalve is de ZW-uitkering terecht per die datum beëindigd.

4. Met betrekking tot bestreden besluit 2 overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA kan de verzekerde pas aanspraak maken op een uitkering op grond van die wet nadat een wachttijd van 104 weken is verstreken. Appellante heeft zich per 16 augustus 2005 ziekgemeld. Hiervoor is in overweging 3.6. geoordeeld dat de ZW-uitkering terecht per 20 april 2007 is beëindigd. Daarmee staat vast dat appellante de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen, zodat niet is voldaan aan deze voorwaarde voor het ontstaan van recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Het Uwv heeft derhalve terecht vastgesteld dat appellante geen recht heeft op WIA-uitkering.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR