Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
08-7197 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. De in beroep overgelegde afsprakenkaarten van de HSK-groep en het OCA-netwerk bevestigen naar het oordeel van de Raad het standpunt van het Uwv dat appellant eerst na de hersteldverklaring per 10 april 2008 behandeling heeft gezocht voor zijn psychische klachten. Ook de in hoger beroep overgelegde rapportages van de HSK-groep zien op een periode na de datum hier in geding, waarbij de Raad aantekent dat – gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Hoffman van 23 februari 2009 – uit de rapportages van de HSK-groep niet kan worden afgeleid dat de door appellant geclaimde klachten al bestonden op 10 april 2008. Dat er zich na 10 april 2008 omstandigheden hebben voorgedaan die tot spanningen hebben geleid en van invloed kunnen zijn geweest op het psychisch welbevinden van appellant, kan de veranderde situatie ten opzichte van de hier in geding zijnde datum verklaren, maar kan naar het oordeel van de Raad echter niet meewegen in de beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7197 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 november 2008, 08/1846 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als hulpverlener bij de Stichting Marokkaanse Gemeenschap toen hij zich voor dit werk per 14 mei 2007 ziek heeft gemeld wegens klachten van overspannenheid en nek-, schouder- en hoofdpijnklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant tweemaal het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts N.M.M. Kummeling. Tijdens het laatste spreekuur van 9 april 2008 heeft deze arts hem per 10 april 2008 hersteld verklaard voor zijn werk als hulpverlener bij de Stichting Marokkaanse Gemeenschap. Bij besluit van 9 april 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 10 april 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen het besluit van 9 april 2008 gerichte bezwaar van appellant is, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman, bij besluit van 5 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant – onder verwijzing naar de gronden in beroep – zich op het standpunt gesteld dat het Uwv onvoldoende aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat hij wegens overspannenheid niet met zijn eigen problemen overweg kan, laat staan met de problemen van anderen. Ter onderbouwing heeft appellant twee rapportages van de behandelend psycholoog verbonden aan de HSK-groep van 10 juni 2008 en 2 december 2008 overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. Daarbij heeft de Raad overwogen dat de verzekeringsarts Kummeling appellant op het spreekuur van 9 april 2008 heeft onderzocht, waarbij lichamelijk geen duidelijke afwijkingen zijn gevonden en er geen aanwijzingen zijn voor ernstige psychopathologie. Kummeling was daarbij op de hoogte van de omstandigheid dat de behandelend neuroloog geen vervolgafspraak meer heeft gemaakt en de psychologische begeleiding nog niet op gang was gekomen. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Hoffman dossierstudie verricht en appellant op het spreekuur van 29 april 2008 onderzocht. Hoffman is tot de conclusie gekomen dat de bevindingen van de verzekeringsarts gehandhaafd kunnen worden omdat op neurologisch terrein geen ernstige afwijkingen zijn geconstateerd en de klachten, gelet op de doorverwijzing naar de Mensendiecktherapeut, samenhangen met houdingsafwijkingen. De hoofdpijnklachten worden wel onderkend, echter zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts niet van dien aard dat appellant daarmee niet zijn arbeid zou kunnen verrichten. De in beroep overgelegde afsprakenkaarten van de HSK-groep en het OCA-netwerk bevestigen naar het oordeel van de Raad het standpunt van het Uwv dat appellant eerst na de hersteldverklaring per 10 april 2008 behandeling heeft gezocht voor zijn psychische klachten. Ook de in hoger beroep overgelegde rapportages van de

HSK-groep zien op een periode na de datum hier in geding, waarbij de Raad aantekent dat – gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Hoffman van 23 februari 2009 – uit de rapportages van de HSK-groep niet kan worden afgeleid dat de door appellant geclaimde klachten al bestonden op 10 april 2008. Dat er zich na 10 april 2008 omstandigheden hebben voorgedaan die tot spanningen hebben geleid en van invloed kunnen zijn geweest op het psychisch welbevinden van appellant, kan de veranderde situatie ten opzichte van de hier in geding zijnde datum verklaren, maar kan naar het oordeel van de Raad echter niet meewegen in de onderhavige beoordeling.

4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang 10 april 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR