Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
08/4015 WWB + 08/4016 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de informatie van de boekhouder, de Belastingdienst en het Handelsregister voldoende grondslag bieden voor de conclusie van de Commissie dat het bedrijf van appellanten vanaf 1 januari 2006 beëindigd was. De rechtbank heeft terecht tot uitgangpunt genomen dat het daarbij gaat om de feitelijke situatie ten tijde in geding. Appellanten hebben ook in hoger beroep geen verifieerbaar tegenbewijs geleverd. Appellant heeft aangevoerd dat hij op 20 juli 2008 door vrijspraak is ontslagen uit zijn in januari 2007 aangevangen detentie. Deze omstandigheid heeft naar het oordeel van de Raad evenwel geen betekenis voor de feitelijke situatie die in dit geding aan de orde is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4015 WWB

08/4016 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 juni 2008, 07/4302 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)

Datum uitspraak: 2 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 5 januari 2010, waar partijen - de Commissie met bericht vooraf - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant dreef vanaf maart 2004 een eenmanszaak onder de [naam bedrijf]. Vanaf 21 februari 2005 heeft hij dit bedrijf samen met appellante als medefirmant uitgeoefend in de vorm van een vennootschap onder firma.

1.2. Bij besluit van 12 oktober 2005 is aan appellanten op hun verzoek op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) een bedrijfskrediet van € 28.008,92 toegekend in de vorm van een rentedragende lening. In het besluit is vermeld dat het bedrag van deze lening terstond opeisbaar is op het moment dat appellanten het bedrijf overdragen of beëindigen. Verder is bij dit besluit aan appellanten met ingang van 1 oktober 2005 op grond van het Bbz bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan toegekend voor maximaal 36 maanden in de vorm van een renteloze lening naar de voor hen geldende norm, in afwachting van de definitieve vaststelling van bijstand. Hierbij is onder meer aangegeven dat appellanten verplicht zijn alles te melden wat van invloed kan zijn op hun uitkering.

1.3. Bij besluit van 24 november 2006 heeft de Commissie bepaald dat appellanten vanaf 1 november 2006 geen uitkering meer krijgen, dat hun recht op uitkering over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006 wordt ingetrokken, dat de over laatstgenoemde periode ten onrechte ontvangen uitkering van € 12.020,17 wordt teruggevorderd en voorts dat het bedrijfskrediet tot een bedrag van € 27.288,86 wordt teruggevorderd. Daartoe is overwogen, samengevat, dat appellanten vanaf 1 januari 2006 hun bedrijf hebben beëindigd en geen zelfstandigen meer zijn, waarover zij het College geen informatie hadden verstrekt.

1.4. Bij besluit van 27 augustus 2007 heeft de Commissie de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 24 november 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 27 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep van appellanten is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een beëindiging van het bedrijf. Appellanten stellen dat slechts sprake is van een tijdelijke stilstand van het bedrijf.

4. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

4.1. De Belastingdienst is er bij de vaststelling van de inkomstenbelasting 2005 en de omzetbelasting over 2004 en 2005 van appellanten van uitgegaan dat het bedrijf van appellanten met ingang van 1 januari 2006 is beëindigd. Volgens de informatie van zowel de boekhouder als de Belastingdienst vond deze beëindiging plaats ten gevolge van het beëindigen van de relatie van appellanten. Voorts is uit informatie van het Handelsregister gebleken dat het bedrijf van appellanten was uitgeschreven.

4.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de voorhanden gegevens - informatie van de boekhouder, de Belastingdienst en het Handelsregister - voldoende grondslag bieden voor de conclusie van de Commissie dat het bedrijf van appellanten vanaf 1 januari 2006 beëindigd was. De rechtbank heeft terecht tot uitgangpunt genomen dat het daarbij gaat om de feitelijke situatie ten tijde in geding. Appellanten hebben ook in hoger beroep geen verifieerbaar tegenbewijs geleverd. Appellant heeft aangevoerd dat hij op 20 juli 2008 door vrijspraak is ontslagen uit zijn in januari 2007 aangevangen detentie. Deze omstandigheid heeft naar het oordeel van de Raad evenwel geen betekenis voor de feitelijke situatie die in dit geding aan de orde is.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter, en C. van Viegen en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

mm