Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
08/833 ANW + 08/834 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing en beëindigen nabestaandenuitkering. Rechtmatigheidsonderzoek. De Raad is van oordeel dat de Svb niet aannemelijk heeft gemaakt dat [R.] vanaf 26 september 2002 haar hoofdverblijf had in de woning van appellant. Geen sprake van wederzijdse verzorging. Het standpunt van de Svb dat appellant vanaf 26 september 2002 met [R.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd berust niet op een deugdelijke grondslag. Raad voorziet zelf in de zaak. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluiten. Herroept de besluiten van 19 juni 2006 en 6 juli 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/833 ANW

08/834 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Suriname (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2007, 06/3683 en 07/1333 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2009. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. De Svb heeft aan appellant met ingang van 15 september 1989 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet toegekend. Dat pensioen is met ingang van 1 juli 1996 omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw).

1.2. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek onder in Suriname woonachtige AOW- en Anw-gerechtigden hebben twee medewerkers van de Svb op 25 mei 2006 de woning van appellant bezocht. Daar werd mevrouw [R.] aangetroffen, waarna nader onderzoek heeft plaatsgevonden. In dat kader is bij het Centraal Bureau Burgerzaken (CBB) navraag gedaan naar de inschrijving van [R.], is bij de consulaire afdeling van de Nederlandse Ambassade te Suriname navraag naar appellant gedaan, heeft appellant een verklaring afgelegd en is op 12 juni 2006 de woning van appellant bezichtigd. Bij brieven van 26 mei 2006 en 15 juni 2006 heeft de Attaché voor Sociale Zaken te Paramaribo de Svb in kennis gesteld van de bevindingen van het rechtmatigheidsonderzoek.

1.3. Deze bevindingen zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 19 juni 2006 de betaling van de nabestaandenuitkering van appellant met ingang van juni 2006 te schorsen op de grond dat appellant vermoedelijk geen recht had op deze uitkering. Bij besluit van 4 september 2006 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2006 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat er door de onderzoeksbevindingen een redelijk vermoeden van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [R.] was ontstaan.

1.4. In de bevindingen van het rechtmatigheidsonderzoek heeft de Svb voorts aanleiding gezien om bij besluit van 6 juli 2006 de nabestaandenuitkering van appellant op 31 december 1999 te beëindigen, op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [R.]. Bij besluit van 6 november 2006 heeft de Svb het tegen het besluit van 7 juli 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de nabestaandenuitkering op 30 september 2002 wordt beëindigd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat vanaf 26 september 2002 wordt voldaan aan zowel het huisvestingscriterium als het zorgcriterium, waartoe de Svb verwijst naar de afgelegde verklaringen tijdens het onderzoek en tijdens de telefonische hoorzitting, het feit dat appellant op een visumaanvraag van 31 augustus 2005 heeft opgegeven dat [R.] sinds 2000 zijn partner is en naar het feit [R.] vanaf 26 september 2002 daadwerkelijk op het adres van appellant staat ingeschreven en haar persoonlijke spullen, waaronder kleding en studieboeken, op dat adres zijn opgeslagen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 4 september 2006 en 6 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Met betrekking tot de beëindiging van de nabestaandenuitkering komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Vaststaat dat [R.] bij het CBB van 26 september 2002 tot 17 juli 2006 ingeschreven heeft gestaan op het adres van appellant. Deze inschrijving is echter op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat [R.] vanaf die datum haar hoofdverblijf had op dat adres. Immers, volgens vaste rechtspraak is voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft de feitelijke woonsituatie doorslaggevend.

4.3. Uit het verhandelde ter zitting van de Raad is gebleken dat de Svb, naast de inschrijving van [R.] op het adres van appellant, voorts zwaarwegende betekenis toekent aan een door appellant op 31 augustus 2005 ondertekende visumaanvraag. Op het desbetreffende formulier is vermeld dat appellant sinds 2000 samenwonend is en dat zijn partner [R.] is. Naar het oordeel van de Raad kunnen daaraan echter niet zonder meer conclusies worden verbonden met betrekking tot de feitelijke woonsituatie van [R.].

4.4. Tijdens het rechtmatigheidsonderzoek heeft appellant onder meer verklaard dat [R.] een kamer in zijn woning heeft waarin ze allerlei zaken heeft opgeslagen. In de onder 1.2 vermelde brief van 15 juni 2006 staat over de bezichtiging van de woning van appellant niet meer vermeld dan dat in de kamer van [R.] een aantal dozen, kleding en een naaimachine zijn aangetroffen. Het feit dat [R.] ten tijde in geding de beschikking had over een kamer in de woning van appellant en dat daar (persoonlijke) spullen van haar zijn aangetroffen, is echter naar het oordeel van de Raad noch op zichzelf, noch in samenhang bezien met de inschrijving op het adres van appellant en de gegevens op het hiervoor genoemde visumaanvraagformulier, voldoende om aan te nemen dat [R.] vanaf 26 september 2002 haar hoofdverblijf had in de woning van appellant.

4.5. Het standpunt van de Svb dat [R.] sinds die datum daar haar hoofdverblijf heeft, vindt evenmin steun in de diverse, in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek en tijdens de telefonische hoorzitting afgelegde verklaringen. Zo heeft [R.] tijdens het (tweede) bezoek aan de woning van appellant op 12 juni 2006 verklaard bij haar vader aan de overkant van de straat te wonen en af en toe in de woning van appellant te zijn om hem te helpen. Op diezelfde dag heeft de vader van [R.] verklaard dat zijn dochter bij hem inwoont en heeft appellant verklaard dat [R.] uitsluitend op zijn adres is ingeschreven vanwege problemen met haar vader en af en toe bij hem komt om - tegen betaling - te helpen met, kort gezegd, huishoudelijke taken. Tijdens de telefonische hoorzitting heeft appellant verklaard dat [R.] gemiddeld 2 à 3 dagen per week bij hem verblijft en soms in zijn huis slaapt en dat zij en soms na haar opleiding ’s avonds naar hem komt en dan de nacht in zijn huis doorbrengt.

4.6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.5 is de Raad van oordeel dat de Svb niet aannemelijk heeft gemaakt dat [R.] vanaf 26 september 2002 haar hoofdverblijf had in de woning van appellant.

4.7. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb overigens evenmin aannemelijk gemaakt dat er vanaf 26 september 2002 sprake was van wederzijdse verzorging in de zin van artikel 3, derde lid, van de Anw. Dat [R.] voor appellant huishoudelijke taken verricht, appellant aan [R.] een kamer in zijn woning ter beschikking heeft gesteld en [R.] haar auto in de garage van appellant mag parkeren, is daarvoor onvoldoende. Ook uit de gegevens die zijn vermeld op het onder 4.3 besproken visumaanvraagformulier kan niet worden afgeleid dat er sprake was van wederzijdse verzorging in de hiervoor bedoelde zin.

4.8. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het standpunt van de Svb dat appellant vanaf 26 september 2002 met [R.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw niet op een deugdelijke grondslag berust. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de beëindiging van de nabestaandenuitkering, en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het beroep tegen het besluit van 6 november 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het (primaire) besluit van 6 juli 2006 te herroepen nu dat op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5. Met betrekking tot de schorsing van de betaling van de nabestaandenuitkering komt de Raad tot de volgende beoordeling.

5.1. Bij de Svb kon op basis van de ten tijde van de schorsing van de betaling beschikbare gegevens het gegronde vermoeden bestaan dat vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding voor appellant geen recht op uitkering meer bestond. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de beëindiging van de nabestaandenuitkering volgt evenwel dat de Svb vervolgens ten onrechte heeft aangenomen dat appellant vanaf 26 september 2002 - en ook nog ten tijde van de besluitvorming met betrekking tot de schorsing van de betaling van de nabestaandenuitkering - een gezamenlijke huishouding voerde en met ingang van 30 september 2002 geen recht meer had op een nabestaandenuitkering. Dat brengt mee dat de op zich rechtmatige schorsing van de betaling van de uitkering niet is gevolgd door een rechtmatig beëindigingsbesluit en dat de betaling van de uitkering van appellant had behoren te worden gecontinueerd. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak, ook voor zover betrekking hebbend op de schorsing van de betaling van de nabestaandenuitkering, en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - ook het beroep tegen het besluit van 4 september 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Voorts ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 19 juni 2006 te herroepen.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 4 september 2006 en 6 november 2006 gegrond;

Vernietigt deze besluiten;

Herroept de besluiten van 19 juni 2006 en 6 juli 2006;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C. van Viegen en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

mm