Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL3974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
09-3546 WAO + 09-3548 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Heropening onderzoek met verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase met daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3546 WAO

09/3548 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2009, 05/2982 en 05/4590 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 15 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. Penders, advocaat te Echt, op 7 september 2009 een verweerschrift ingediend. Tevens is verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van schade.

Bij brief van 12 oktober 2009 heeft het Uwv het hoger beroep ingetrokken.

Op 2 november 2009 heeft mr. Penders aanvullend verzocht het Uwv te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

Het Uwv heeft bij brief van 24 november 2009 aangegeven geen verweer te zullen voeren met betrekking tot de proceskosten.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden veroordeeld in de proceskosten.

2.1. De Raad stelt vast dat het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken en dat namens betrokkene een verzoek is gedaan om veroordeling van het Uwv in de proceskosten van betrokkene, bestaande uit gemaakte reiskosten in beroep en kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

2.2. De Raad constateert verder dat blijkens de aangevallen uitspraak de rechtbank heeft geoordeeld dat van proceskosten die op basis van Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen, niet is gebleken. Betrokkene is niet in hoger beroep gekomen, maar heeft eerst bij brief van 2 november 2009 verzocht het Uwv te veroordelen tot betaling van de in beroep gemaakte reiskosten. Aangezien betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank ter zake de proceskostenveroordeling is er thans geen plaats meer voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van betrokkene om vergoeding van in de beroepsfase gemaakte proceskosten.

2.3. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, met inachtneming van het Bpb begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

3. Met betrekking tot het namens betrokkene gedane verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente overweegt de Raad dat artikel 21a van de Beroepswet niet de mogelijkheid biedt in hoger beroep, nadat het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken, toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 maart 2005, LJN AT3476. Betrokkene zal zich met het verzoek om vergoeding van renteschade dienen te wenden tot het Uwv.

4.1. Namens betrokkene is gewezen op de lange duur van de procedure. Betrokkene heeft in dit verband verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2. Mede in het licht van artikel 13 van het EVRM acht de Raad in artikel 21a van de Beroepswet geen beletsel gelegen om een verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn in deze procedure inhoudelijk te behandelen.

4.3. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

4.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van - onder meer - socialezekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 4.3 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

4.5. In de zaak 09/3546 WAO is voorts van belang dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 24 maart 2009, LJN BH9991, in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

4.6. Voor zaak 09/3546 WAO betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 16 juli 2002 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en zeven maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van betrokkene aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 19 december 2002 tot de uitspraak op 28 oktober 2004 één jaar en ruim tien maanden, derhalve meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De hernieuwde behandeling door de rechtbank, welke is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift op 21 juni 2005 en geëindigd met de aangevallen uitspraak op 5 juni 2009, heeft bijna vier jaar geduurd. De behandeling bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 30 juni 2009 en eindigt met deze uitspraak op 15 februari 2010. Deze heeft derhalve ruim een half jaar in beslag genomen, terwijl de behandeling door rechtbank en Raad tezamen meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

4.7. In de zaak 09/3548 WAO zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 5 april 2005 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak zes jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna vijf maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 5 oktober 2005 tot de aangevallen uitspraak op 5 juni 2009 drie jaar en acht maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift op 30 juni 2009 tot deze uitspraak ruim zeven maanden in beslag genomen, terwijl de behandeling door rechtbank en Raad tezamen meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden.

4.8. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedures, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent betrokkenes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het onderzoek onder nummers 10/448, 449 en 450 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

EK