Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL3961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
08-3733 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Afwijzing verzoek om herziening primaire besluit. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Hoewel het arrest van het gerechtshof op zich wel als een nieuw gegeven kan worden aangemerkt, is geen sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het College was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van de besluiten van 19 september 2003 en 29 januari 2004 af te wijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3733 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 mei 2008, 07/2875 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Faouzi, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Voor appellant is verschenen mr. M. Shaaban, kantoorgenoot van mr. Faouzi. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 19 september 2003 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 25 april 2001 ingetrokken. Bij besluit van 29 januari 2004 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand van appellant ad € 23.279,33 teruggevorderd.

1.2. In de uitspraak van 1 juli 2005 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellant tegen het besluit van 17 februari 2004, waarbij het besluit van 19 september 2003 werd gehandhaafd, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Op 15 december 2006 heeft appellant het College verzocht om de besluiten van 19 september 2003 en 29 januari 2004 te herzien en hem met ingang van januari 2001 een bijstandsuitkering toe te kennen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft appellant verwezen naar het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 20 juni 2006, bij welk arrest appellant werd vrijgesproken van het ten laste gelegde dat hij opzettelijk niet aan de (Afdeling Sociale Zaken) van de gemeente Zoetermeer heeft meegedeeld dat hij in de periode van 25 april 2001 tot en met 31 augustus 2006 een gemeenschappelijke huishouding voerde met [M.] (artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht). De besluiten van 19 september 2003 en 29 januari 2004 zijn volgens appellant evident onjuist.

1.4. Bij besluit van 19 december 2006 heeft het College het verzoek van 15 december 2006 afgewezen.

1.5. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 maart 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant strekt ertoe dat het College terugkomt van zijn eerdere besluiten van 19 september 2003 en 29 januari 2004. Beide besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

4.3. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn verzoek aan het College een beroep gedaan op het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 20 juni 2006. Bij dat arrest heeft het gerechtshof appellant vrijgesproken van schending van artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht, omdat uit de inhoud van de stukken blijkt dat appellant in de in de tenlastelegging genoemde periode geregeld aan de Afdeling sociale zaken van de gemeente Zoetermeer heeft gemeld dat hij samenwoonde met, dan wel inwonende was bij [M.].

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Hoewel het arrest van het gerechtshof op zich wel als een nieuw gegeven kan worden aangemerkt, is geen sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4.5. Het College was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van de besluiten van 19 september 2003 en 29 januari 2004 af te wijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

SB