Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL3859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
15-02-2010
Zaaknummer
07-5159 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WAO-uitkering. De Raad houdt het ervoor dat er geen loongegevens meer kunnen worden verkregen bij de oude werkgever. In het licht hiervan acht de Raad de vaststelling van het maatmaninkomen door de bezwaararbeidsdeskundige niet onzorgvuldig. Voorts overweegt de Raad dat de dossierstukken, waaronder de uit 1968 daterende stukken met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, waarnaar de uitkering van appellant werd berekend, er niet op wijzen dat appellant met deze wijze van vaststelling van zijn maatmaninkomen tekort is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5159 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 augustus 2007, 06/1096

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv was aanwezig W.R. Bos.

Na de zitting is de Raad tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee het onderzoek is heropend.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 25 september 2009, waar partijen - het Uwv na voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij uitspraak van 20 mei 2005 (02/3926 WAO) heeft de Raad met beslissingen over proceskosten en griffierecht de uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2002, 99/773, vernietigd, voorzover deze uitspraak werd aangevochten, het beroep van appellant tegen het besluit van de rechtsvoorganger van het Uwv van 4 september 2000 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

1.2. Bij het door de Raad vernietigde besluit van 4 september 2000 was onder intrekking van eerdere besluiten bepaald dat de uitbetaling van de aan appellant toegekende WAO-uitkering met toepassing van artikel 44 van de WAO over 1997 zal geschieden als ware hij arbeidsongeschikt naar een mate van 35 tot 45%, het maatmaninkomen van appellant voor 1997 nader vastgesteld op f 48.114,62 en de in 1997 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ten bedrage van f 12.766,31 van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij zijn uitspraak van 20 mei 2005 heeft Raad het volgende overwogen:

“Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant er tijdens de beroepsprocedure in voldoende mate in is geslaagd aannemelijk te maken dat zijn toenmalige werkgever [naam werkgever] hem per 1 januari 1965 een bedrijfsauto ter beschikking heeft gesteld. Gelet op de door appellant afgelegde verklaringen alsook een ter zitting van de Raad getoonde foto en de door appellant aan de rechtbank en aan de Raad overgelegde verklaringen van [naam N.D.R.], gedateerd 24 oktober 2000 respectievelijk 30 september 2002 en voorzover hier van belang inhoudende dat hij

- destijds bij [naam werkgever] een collega van appellant - zich kan herinneren dat het bij die bedrijfsauto ging om een [merk auto] en dat voor het privégebruik daarvan door de werkgever geen kosten in rekening werden gebracht, acht de Raad tevens in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat die bedrijfsauto een [merk auto] was. Rijst vervolgens de vraag of [naam werkgever] het appellant heeft toegestaan die bedrijfsauto ook privé te gebruiken. Gelet op hetgeen appellant steeds en hetgeen [naam N.D.R.] in diens brief van 30 september 2002 aan de Raad dienaangaande hebben verklaard alsook op wat toentertijd gebruikelijk was, is de Raad van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Daaruit volgt dat naar alle waarschijnlijkheid de fiscus ingevolge de per 1 januari 1965 in werking getreden Wet op de Inkomstenbelasting 1964 het toentertijd geldende percentage van de cataloguswaarde van die bedrijfsauto (door appellant in zijn brief van 28 februari 2002 aan de rechtbank gesteld op toen f 9.000,-) als inkomen in aanmerking heeft genomen.Overeenkomstig de hoofdregel dient het bedrag van die bijtelling te worden verminderd met de aan de werkgever verschuldigde bijdrage voor het privégebruik. Appellant heeft dienaangaande gesteld dat [naam werkgever], naar algemeen gebruik toentertijd, daarin gesteund door [naam N.D.R.] in diens verklaring van 30 september 2002 aan de Raad, bij hem geen zodanige bijdrage in rekening heeft gebracht, zodat op het bedrag van de fiscale bijtelling geen bedrag in mindering kan worden gebracht en in het kader van de vaststelling van het maatmaninkomen het bedrag van de fiscale bijtelling zonder meer geheel als inkomen in aanmerking dient te worden genomen.Bij die stelling tekent de Raad aan dat niet kan worden gesproken van een naadloze aansluiting bij de in het proces-verbaal van de rechtbankzitting op 21 maart 2002 opgetekende verklaring van appellant dat hij privé zowat gratis kon rijden.Uit de voorhanden gedingstukken, met name een notitie van de bezwaararbeidsdeskundige Van Dam van 7 januari 2002 (waarin is vermeld dat het maatmaninkomen al vele jaren geleden nadrukkelijk aan de orde is geweest en melding wordt gemaakt van klaagschriften van appellant in 1985 en 1986, beroepsprocedures en in het kader daarvan opgestelde notities), is af te leiden dat de Raad niet beschikt over alle op de vaststelling van het maatmaninkomen van appellant betrekking hebbende stukken, zodat de Raad niet kan nagaan of in beroep en in hoger beroep alle op het privégebruik van de bedrijfsauto en de kwestie van de actualisering en vervolgens de indexering betrekking hebbende stukken waarover gedaagde de beschikking heeft, zijn overgelegd. Voorts stelt de Raad, afgaande op de gedingstukken waarover hij in hoger beroep de beschikking heeft gekregen, vast dat door gedaagde onvoldoende pogingen in het werk zijn gesteld om de gegevens boven tafel te krijgen die nodig zijn om te kunnen vaststellen hoeveel destijds de fiscale bijtelling voor het privégebruik door appellant van de bedrijfsauto beliep en of - en alsdan in hoeverre - appellant voor dat privégebruik een bijdrage aan de werkgever was verschuldigd. Gedaagde had op basis van een zorgvuldig onderzoek een naar behoren gemotiveerd en toetsbaar standpunt met betrekking tot de bedrijfsauto alsook de actualisering en vervolgens de indexering dienen in te nemen.”

1.4. Vervolgens heeft een bezwaararbeidsdeskundige in een rapportage van 30 juni 2005 het maatmaninkomen van appellant per 1 januari 1998 vastgesteld op € 36.763,53 (f. 81.016,16). Dit maatmaninkomen is verkregen op basis van informatie van een technische groothandel in [plaatsnaam]. Uitgegaan is van het salaris van een senior vertegenwoordiger bij deze groothandel per 1 juli 2004. Rekening is gehouden met provisie en met de fiscale bijtelling van een lease-auto ter waarde van € 26.500,-. Geen rekening is gehouden met een eigen bijdrage voor deze auto. Het op deze wijze verkregen jaarsalaris is teruggeïndexeerd naar 1 augustus 1994. Het aldus per 1 augustus 1994 verkregen, geactualiseerde jaarsalaris is vervolgens geïndexeerd naar 1 januari 1998.

1.5. Bij besluit van 12 juli 2006 heeft het Uwv besloten de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten van 4 en 6 november 1998 in zoverre gegrond te verklaren dat de WAO-uitkering van appellant over het jaar 1997 wordt uitbetaald als ware hij voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt en dat de onverschuldigd betaalde uitkering over het jaar 1997 ten bedrage van € 2.457,93 van hem wordt teruggevorderd.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 juli 2006 ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat niet is gebleken dat de bezwaararbeidsdeskundige van onjuiste (loon)gegevens is uitgegaan. Appellant heeft naar haar oordeel deze gegevens niet onderbouwd betwist. Met betrekking tot appellants stelling dat de bezwaararbeidsdeskundige had kunnen informeren bij het nog steeds bestaande bedrijf, in plaats van bij de technische groothandel te [plaatsnaam], heeft de rechtbank opgemerkt dat dit niet afdoet aan de juistheid van de gehanteerde cijfers. Het had appellant vrijgestaan deze cijfers te betwisten met door hem van zijn oude werkgever verkregen cijfers. Dit heeft hij niet gedaan.

3.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de functie van senior vertegenwoordiger bij de technische groothandel te [plaatsnaam], waarvan de bezwaararbeidsdeskundige is uitgegaan, zowel naar inhoud als verdiensten niet representatief is voor zijn maatgevende functie, zoals hij die in het verleden vervulde.

3.2. Ter zitting van de Raad op 13 februari 2009 is namens het Uwv verklaard dat, bij gebreke van betrouwbare loongegevens en omdat geen gegevens bij de oude werkgever van appellant verkrijgbaar waren, de bezwaararbeidsdeskundige uitgegaan is van loongegevens van een vergelijkbare functie als appellant in het verleden heeft vervuld. Voorts is verklaard dat appellant zelf in een brief van 20 september 1999 heeft gesteld dat hij ongeveer f 5.200,- per maand zou hebben verdiend. Thans is uitgegaan van f 6.420,- per maand. In de visie van het Uwv is appellant bepaald niet benadeeld.

3.3. Na de zitting van 13 februari 2009 heeft de Raad appellant tot drie maal toe verzocht aan te geven waar zijn voormalige werkgever [naam werkgever] is gevestigd en, indien [naam werkgever] onder een andere naam werkzaam is, aan te geven onder welke naam [naam werkgever] thans actief is.

3.4. Een reactie van appellant is uitgebleven.

4.1. Gelet hierop houdt de Raad het ervoor dat er geen loongegevens meer kunnen worden verkregen bij de oude werkgever. In het licht hiervan acht de Raad de vaststelling van het maatmaninkomen, door de bezwaararbeidsdeskundige, zoals hiervoor onder 1.4 is uiteengezet, niet onzorgvuldig.

Voorts overweegt de Raad dat de dossierstukken, waaronder de uit 1968 daterende stukken met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, waarnaar de uitkering van appellant werd berekend, er niet op wijzen dat appellant met deze wijze van vaststelling van zijn maatmaninkomen tekort is gedaan.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

EF