Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL3365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
08-845 WWB + 08-846 WWB + 08-847 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het kader van een heroverweging van een besluit tot intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB staat uitsluitend ter beoordeling of betrokkene verwijtbaar heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de gevraagde medewerking te verlenen en de gevraagde gegevens te verstrekken. In elk geval voor een deel van de gegevens waarom het College appellante heeft verzocht geldt, dat deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand van appellante en dat zij daarover binnen de - met ruim drie maanden verlengde - hersteltermijn ook redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. De Raad wijst hierbij in het bijzonder op de gegevens over de twee bankrekeningen van appellante en over haar kasopname van fl. 232.000,00 in 1995.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/845 WWB

08/846 WWB

08/847 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2007, 07/551, 07/818 en 07/2256 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 januari 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Heere-Helmink, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Appellante en mr. Heere zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Cevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met de volgende in hoger beroep van belang zijnde gegevens.

1.1. Appellante ontving sinds 21 februari 2003 een uitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van haar uitkering is appellante vanwege het College bij brief van 8 augustus 2006 verzocht vóór 28 augustus 2006 een aantal op een bijlage vermelde papieren in te leveren. Daartoe behoren onder meer een volledig overzicht van twee bankrekeningen over de periode vanaf 21 februari 2003 en bescheiden over de opname door appellante in 1995 van een bedrag van fl. 232.000,00 van een bankrekening van een bedrijf waarvan zij gemachtigde was, en van de besteding van deze gelden. In de brief is meegedeeld dat het niet tijdig overleggen van de gevraagde gegevens kan leiden tot opschorting en uiteindelijk tot beëindiging van de uitkering. Bij besluit van 1 september 2006 heeft het College het recht op bijstand van appellante per die datum opgeschort. Bij brief van 15 november 2006 is appellante een extra termijn tot 1 december 2006 gegund om alle gevraagde gegevens alsnog aan te leveren. In een brief van dezelfde datum is appellante verzocht de - op een bijlage vermelde - gegevens vóór 2 december 2006 te verstrekken. Meegedeeld is dat de uitkering in geval van niet tijdige inlevering wordt ingetrokken. Op 21 november 2006 heeft het College om aanvullende gegevens verzocht. Appellante heeft bij brief van 29 november 2006 informatie verstrekt. Bij brief van 13 december 2006 is appellante nog een laatste termijn tot 22 december 2006 gegeven om de nog ontbrekende stukken in te leveren. Het besluit van 1 september 2006 tot opschorting is na bezwaar bij besluit van 10 januari 2007 gehandhaafd onder verlenging van de hersteltermijn tot 1 december 2006.

1.3. Op 5 december 2006 is het recht op bijstand van appellante opgeschort wegens het niet meewerken aan een onderzoek naar haar woonsituatie. Deze opschorting is na bezwaar bij besluit van 23 februari 2007 gehandhaafd.

1.4. Bij besluit van 17 januari 2007 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 28 augustus 2006 ingetrokken op de grond dat zij verzuimd heeft inlichtingen te verstrekken. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit is bij besluit van 11 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de besluiten van 10 januari 2007 en 23 februari 2007 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 11 mei 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover betrekking hebbend op de ingangsdatum. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de intrekking van de bijstand van appellante te stellen op 1 december 2006. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. In de eerste plaats stelt de Raad op grond van het hoger beroepschrift en in het bijzonder de daarin aangevoerde gronden vast dat appellante in hoger beroep uitsluitend het oordeel van de rechtbank over de intrekking van de bijstand bestrijdt.

3.2. Voor de inhoud van de voor dit geding van belang zijnde wettelijke bepalingen (artikel 54, eerste, tweede en vierde lid, van de WWB) verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

3.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad staat in het kader van een heroverweging van een besluit tot intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB uitsluitend ter beoordeling of betrokkene verwijtbaar heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de gevraagde medewerking te verlenen en de gevraagde gegevens te verstrekken. In het geval van appellante gaat het daarbij om de gegevens waarom het College bij brief van 8 augustus 2006 heeft verzocht. Gegevens waarom het College voor het eerst tijdens de hersteltermijn heeft gevraagd laat de Raad buiten beschouwing.

3.4. De Raad stelt vast dat appellante de onder 3.3 bedoelde gegevens niet volledig heeft verstrekt, hoewel zij er uitdrukkelijk op is gewezen dat dit verzuim zal kunnen leiden tot intrekking van het recht op bijstand. Voor de beantwoording van de vraag of appellante hiervan een verwijt kan worden gemaakt is van belang of de gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken van belang zijn voor de verlening van bijstand en of zij binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs over die gegevens heeft kunnen beschikken (zie onder meer de uitspraak van 29 mei 2007, LJN BA6877).

3.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in elk geval voor een deel van de gegevens waarom het College appellante heeft verzocht geldt, dat deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand van appellante en dat zij daarover binnen de - met ruim drie maanden verlengde - hersteltermijn ook redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. De Raad wijst hierbij in het bijzonder op de gegevens over de twee bankrekeningen van appellante en over haar kasopname van fl. 232.000,00 in 1995. Indien - zoals appellante stelt - de bankrekeningen zijn opgeheven, had op haar weg gelegen bewijzen van die opheffing in te leveren dan wel een schriftelijke reactie van de betreffende banken op een verzoek om een bewijs van opheffing. Gelet op de hoogte van het bedrag dat appellante in 1995 heeft opgenomen van een bankrekening waarvan zij gemachtigde was, mochten van haar concrete en verifieerbare gegevens worden verlangd over die opname en de besteding daarvan. De enkele ontkenning van appellante dat zij iets van het opgenomen bedrag heeft overgehouden is in dit verband ontoereikend.

3.6. Uit het voorgaande volgt dat het College bevoegd was de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in te trekken. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Met intrekking van de bijstand vanaf 1 december 2006, welke ingangsdatum door de rechtbank is vastgesteld, is appellante niet tekort gedaan.

3.7. Het onder 3.6 gegeven oordeel leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

mm