Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL3332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
08-5613 BZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling nettoinkomen. Het College heeft terecht het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming van appellante in 2005 als uitgangspunt genomen voor de berekening van het nettoinkomen. Dat appellante meer heeft afgelost op een in verband met de goodwill staande schuld aan de vorige eigenaar van het eetcafé dan het bedrag van de uit de jaarstukken 2005 blijkende afschrijving van de boekwaarde van de goodwill, betekent niet dat het meerdere in mindering moet worden gebracht op het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming in 2005. Het gaat hier niet zozeer de vaststelling van het nettoinkomen uit de onderneming van appellante, maar veeleer de besteding van dat inkomen. Het Bbz 2004 en de Wet op de inkomstenbelasting 2001 hanteren niet hetzelfde begrip inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 68

Uitspraak

08/5613 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 augustus 2008, 07/282 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2009. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is in februari 2004 gestart met de exploitatie van een eetcafé. In verband daarmee heeft het College aan appellante en [P.] over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) bijstand verleend in de kosten van levensonderhoud in de vorm van een renteloze geldlening.

1.2. Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft het College aan de hand van de jaarstukken over 2005 het recht op bijstand van appellante en [P.] over 2005 definitief vastgesteld, hetgeen heeft geresulteerd in toekenning van bijstand om niet tot een bedrag van € 10.669,83. Omdat appellante en [P.] over dat jaar een renteloze lening van in totaal

€ 13.768,07 hadden ontvangen, heeft het College bij hetzelfde besluit een bedrag van € 3.098,24 van appellante en [P.] teruggevorderd. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004.

1.3. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 29 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij haar beroep tegen het besluit van 29 januari 2007 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 is bepaald dat indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde nettoinkomen meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil wordt teruggevorderd en de rest van de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een

bedrag om niet. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz 2004 wordt onder nettoinkomen verstaan het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de WWB, met toepassing van artikel 6, tweede lid. Op grond van artikel 6, tweede lid, van het Bbz 2004, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, worden bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over inkomen waarover geen loonbelasting wordt geheven, gesteld op 21% van dat inkomen.

4.2. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het College in het kader van de toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het nettoinkomen juist heeft vastgesteld.

4.3. De Raad stelt vast dat uit de jaarstukken 2005 blijkt dat het nettoresultaat van de onderneming van appellante in 2005 € 4.022,38 bedroeg. Daarbij is rekening gehouden met een afschrijving van de boekwaarde van de goodwill ter hoogte van 20% van de aanschafwaarde daarvan in 2004, hetgeen correspondeert met een bedrag van € 2.800,--. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het nettoresultaat van de onderneming in 2005 niet volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn, is bepaald. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat van ander inkomen van appellante en [P.] niet is gebleken, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College terecht het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming van appellante in 2005 als uitgangspunt heeft genomen voor de berekening van het nettoinkomen.

4.4. In hoger beroep heeft appellante gesteld in 2005 in feite meer te hebben afgelost op een in verband met de goodwill staande schuld aan de vorige eigenaar van het eetcafé dan het bedrag van de uit de jaarstukken 2005 blijkende afschrijving van de boekwaarde van de goodwill. Dat betekent naar het oordeel van de Raad echter niet dat het meerdere in mindering moet worden gebracht op het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming in 2005. De door appellante gestelde omstandigheid betreft niet zozeer de vaststelling van het nettoinkomen uit de onderneming van appellante, maar veeleer de besteding van dat inkomen.

4.5. Anders dan appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt het feit dat de Belastingdienst haar inkomen uit werk en woning over 2005 heeft vastgesteld op € 82,-- negatief niet mee dat voor de toepassing van het Bbz 2004 haar inkomen over 2005 ook op dat bedrag moet worden vastgesteld. De Raad wijst er in dit verband op dat het

Bbz 2004 en de Wet op de inkomstenbelasting 2001 niet hetzelfde begrip inkomen hanteren.

4.6. Uit hetgeen hiervoor in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze door appellante is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. In hetgeen overigens door appellante is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover door appellante aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A.E. van Rooij.

DW