Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL3241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
08-5409 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum kinderbijslag. Geen sprake van een bijzonder geval, zodat er terecht geen kinderbijslag is verleend over kwartalen voorafgaand aan het eerste kwartaal van 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5409 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 augustus 2008, 07/2584 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 27 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is in persoon verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van der Veldt, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is begin 1998 vanuit Marokko naar Nederland gekomen om bij haar Nederlandse partner [partner] te gaan wonen. Na acht maanden is de relatie tussen hen verbroken. Op 4 september 1998 is hun zoon [B.] geboren die naast de Marokkaanse ook de Nederlandse nationaliteit heeft. Appellantes verblijfsaanvraag uit 1998 is aanvankelijk afgewezen. Bij besluit van 21 november 2005 is aan appellante een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Op 3 januari 2007 heeft appellante een aanvraag voor kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend ten behoeve van haar zoon [B.].

1.2. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft de Svb aan appellante met toepassing van een jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van aanvraag, met ingang van het eerste kwartaal 2006, kinderbijslag toegekend.

1.3. Bij het besluit op bezwaar van 29 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2007 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de Svb overwogen dat in de situatie van appellante geen sprake is van een bijzonder geval, zodat er geen aanleiding is de kinderbijslag te verlenen over kwartalen voorafgaand aan het eerste kwartaal van 2006.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante al eerder in 1999 een aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend en zij derhalve niet onbekend was met het mogelijke recht op kinderbijslag.

3. In hoger beroep is namens appellante betoogd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar stelling dat zij onder toepassing van artikel 6a van de AKW alsmede diverse verdragsbepalingen reeds vóór het eerste kwartaal van 2006 als verzekerde moet worden aangemerkt. Voorts heeft appellante herhaald dat zij in bijzondere omstandigheden verkeerde waardoor zij niet eerder een aanvraag heeft kunnen indienen. Zo was zij lange tijd onzeker over haar verblijfsstatus, was haar eerdere aanvraag om kinderbijslag afgewezen, heeft zij gebrek aan kennis met betrekking tot het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel, is zij de Nederlandse taal niet machtig en had zij veel problemen ten tijde van de verleende verblijfsvergunning.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Svb op goede gronden met ingang van het eerste kwartaal van 2006 aan appellante kinderbijslag heeft toegekend ten behoeve van het kind [B.].

4.2. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. In bijzondere gevallen kan de Svb hiervan afwijken.

Volgens het in de jurisprudentie aanvaarde beleid van de Svb is er sprake van een bijzonder geval:

- indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat

was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

- indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op kinderbijslag en deze onbekendheid verschoonbaar was.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante aangevoerde redenen waarom zij eerst op 3 januari 2007 een aanvraag heeft ingediend niet kunnen leiden tot het aannemen van een bijzonder geval in de zin van artikel 14, derde lid, van de AKW. Door appellante is ook ter zitting van de Raad aangegeven dat zij reeds eerder in

1999 en in 2003 vergeefs een aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend, zodat van onbekendheid met haar mogelijke aanspraak op kinderbijslag niet kan worden gesproken. Voorts is de Raad niet gebleken van zodanige omstandigheden waarin appellante verkeerde dat zij niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen.

4.4. Met betrekking tot de overige namens appellante naar voren gebrachte gronden merkt de Raad nog op dat uit het vorenstaande voortvloeit dat ook als appellante in de periode vóór het eerste kwartaal van 2006 verzekerd zou zijn geweest voor de AKW dit niet zou hebben geleid tot een toekenning van de kinderbijslag met een langere terugwerkende kracht dan een jaar.

4.5. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de Svb terecht aan appellante eerst met ingang van het eerste kwartaal van 2006 kinderbijslag heeft toegekend.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Pijper.

SB