Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL3236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
08-2474 WWB + 08-2475 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Appellant heeft als paranormaal genezer op geld waardeerbare werkzaamheden verricht en heeft hieruit ook inkomsten genoten. Beroep op zesmaanden-jurisprudentie faalt, omdat appellanten de relevante informatie voor de beoordeling van het recht op bijstand niet tijdig, niet juist of onvolledig hebben verstrekt. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2474 WWB

08/2475 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beide wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 maart 2008, 07/886 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 januari 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.A.M. Olde Loohuis, advocaat te Gennep, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Engelen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 1 november 1995 tot 27 december 1999 en vanaf 27 juni 2001 tot 1 oktober 2005 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 22 december 2006 heeft het College de bijstand van appellanten over de periodes van 1 april 1998 tot 27 december 1999 en van 27 juni 2001 tot 1 oktober 2005 ingetrokken en de kosten van bijstand over deze periodes tot een bedrag van € 100.529,24 van appellanten teruggevorderd. Het College achtte geen dringende reden aanwezig om van de intrekking en terugvordering af te zien.

1.3. Bij besluit van 6 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 december 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat in de betrokken periodes sprake is van op geld waardeerbare activiteiten en verdiensten bij appellanten, dat zij daarvan bij het College geen melding hebben gemaakt en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand over deze periodes niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 juni 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met ingang van 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden en is de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening en terugvordering over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche, neergelegd in het rapport van 3 augustus 2006, toereikend zijn voor de conclusie dat appellant ten tijde hier van belang als paranormaal genezer op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en hieruit ook inkomsten heeft genoten. Het betoog van appellanten dat slechts sprake was van summiere onkostenvergoedingen en geenszins sprake was van inkomsten in de periode van 1 april 1998 tot 27 december 1999 acht de Raad onvoldoende onderbouwd en verifieerbaar.

4.3. Appellanten hebben de onder 4.2 genoemde werkzaamheden niet aan het College gemeld. Naar het oordeel van de Raad gaat het hier om gegevens waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het van invloed kon zijn op hun recht op bijstand. Dit betekent dat appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden. De Raad merkt daarbij op dat algemene informatie betreffende mogelijke inkomensvrijlating afkomstig van een poster bij de sociale dienst noch het te goeder trouw helpen van een medemens, wat hiervan ook zij, appellanten ontslaat van hun inlichtingenverplichting. Voor zover appellanten, overigens, hebben beoogd een beroep te doen op de in het kader van andere wetgeving eerder door de Raad gevormde zogeheten zesmaanden-jurisprudentie merkt de Raad op dat dit beroep niet opgaat, omdat voor toepassing daarvan in WWB-zaken in beginsel geen plaats is indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie.

4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 4 mei 2005, LJN AT5535) is in gevallen, waarin is komen vast te staan dat betrokkene tekort is geschoten in de vervulling van zijn wettelijke plicht tot het geven van juiste en volledige inlichtingen en ten gevolge daarvan het recht op bijstand over de betreffende periode in te trekken en de over die periode ten behoeve van betrokkene gemaakte kosten van bijstand van hem terug te vorderen. Het is aan betrokkene om feiten te stellen, en zonodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat aan hem, indien hij zijn verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, over de betrokken perioden aanvullende bijstand zou zijn verstrekt (CRvB 13 juni 2006 LJN AX9579).

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten, nu ten tijde in geding geen enkele vorm van administratie is bijgehouden en ook nadien op geen enkele wijze concreet en verifieerbaar inzicht is verschaft in de precieze omvang van de werkzaamheden en de daarmee verworven dan wel te verwerven inkomsten, er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat bij nakoming van de inlichtingenverplichting nog recht op aanvullende bijstand zou hebben bestaan. Het voorgaande brengt mee dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate appellanten ten tijde hier van belang verkeerden in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 11, eerste lid, van de WWB.

4.5. In hetgeen onder 4.4 is overwogen ligt besloten dat het College bevoegd was om, met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, over te gaan tot intrekking van de bijstand. De Raad ziet geen aanleiding te oordelen dat het College in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

4.6. Met het voorgaande is tevens gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de kosten van de ten onrechte verleende bijstand. Appellanten hebben in dit kader aangevoerd dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen moet het bij dringende redenen om iets bijzonders of uitzonderlijks gaan en wel zodanig dat terugvordering voor de betrokkene tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties leidt. De door appellant gestelde verslechtering van de financiële situatie van zijn gezin met drie kinderen kan niet als een dringende reden in deze zin worden aangemerkt. De Raad wijst er daarbij op dat uit artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), bezien in samenhang met de artikelen 58 en 60 van de WWB volgt, dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschiedt dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d Rv. In hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

mm