Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL3128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
09-126 WIA + 09-217 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering, omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Besluit door rechtbank vernietigd. Dubbel hoger beroep. Anders dan de rechtbank acht de Raad de medische grondslag voldoende. De rechtbank heeft eerst ter zitting het Uwv geconfronteerd met de door haar aanwezig geachte onduidelijkheden tussen enerzijds de FML en anderzijds het rapport van de primaire verzekeringsarts, waarop het bestreden besluit niet (direct) is gebaseerd. Het had in de rede gelegen dat de rechtbank, nu kennelijk naar haar oordeel een afdoende antwoord was uitgebleven, zij, mede in het belang van partijen uit het oogpunt van proceseconomie het onderzoek had heropend en het Uwv om een nadere toelichting had verzocht, alvorens tot haar oordeel te komen dat het bestreden besluit om genoemde redenen van onduidelijkheid diende te worden vernietigd. Geen terugwijzing. Raad doet zaak zelf af. De Raad oordeelt dat de geduide functies, gelet op de daaraan verbonden aspecten, als voor betrokkene in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/126 + 09/217 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 december 2008, 07/1568 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv en betrokkene hebben hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2009. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius. Namens betrokkene is verschenen mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker. Hij is voor dat werk op 13 april 2004 uitgevallen met linkerarm- en schouderklachten. Tevens had hij klachten van duizeligheid en hoofdpijn. Op de aanvraag van betrokkene om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 10 juli 2006 afwijzend beslist, omdat betrokkene per 11 april 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het door betrokkene tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 oktober 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 april 2007, 06/1886, heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 5 oktober 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand was gekomen en niet berustte op een deugdelijke motivering. Voorts heeft de rechtbank bij die uitspraak bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen met inachtneming van de uitspraak. Partijen hebben in die uitspraak berust.

1.2. Bij besluit van 3 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 3 juli 2007 en 24 augustus 2007, het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 10 juli 2006 wederom ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende grondig en zorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich laten informeren door de verschillende behandelaars van betrokkene. De rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts gevolgd in diens kanttekeningen bij het rapport van de revalidatiearts van 11 juni 2007. De rechtbank is van oordeel dat de door de behandelend sector aangeleverde informatie het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts veeleer onderschrijft. Dat geldt eveneens ten aanzien van de gestelde psychische beperkingen. Niet is gebleken dat de klachten van betrokkene zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd, aldus de rechtbank. Door betrokkene zijn geen gegevens overgelegd waaruit naar voren komt dat betrokkene op de datum in geding ernstiger beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat aan de eigen beleving van betrokkene geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

2.2. De rechtbank heeft het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft erop gewezen dat volgens het rapport van de primaire verzekeringsarts werk op gevaarlijke plaatsen niet is aangewezen gezien de klachten van duizeligheid van betrokkene. Deze beperking heeft klaarblijkelijk geen enkele vertaling gevonden in de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), aldus de rechtbank. Hetzelfde geldt voor de kanttekening van de verzekeringsarts dat werk waarbij de nek langdurig in ver getordeerde toestand moet worden gehouden, niet geschikt is voor betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende duidelijk geworden of het Uwv met betrokkenes beperkingen op genoemde aspecten voldoende rekening heeft gehouden, zodat de rechtbank niet kan uitsluiten dat betrokkene wellicht ten onrechte in staat wordt geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

3.1. In hoger beroep heeft het Uwv aangevoerd dat uit de diverse rapporten van de bezwaarverzekeringsarts in ruim voldoende mate blijkt dat de nek- en duizeligheidsklachten niet zodanig geobjectiveerd kunnen worden dat die klachten moeten leiden tot dwingende beperkingen in de FML. Uitgaande van die rapporten is het in de visie van het Uwv duidelijk dat de door de rechtbank bedoelde aspecten terecht niet in de FML zijn opgenomen. Nu het bestreden besluit is gebaseerd op het oordeel en de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en niet, althans niet direct, op die van de primaire verzekeringsarts, is er geen grond voor vernietiging vanwege vermeende onduidelijkheid in het rapport van de primaire verzekeringsarts. Daarbij heeft het Uwv erop gewezen de handelwijze van de rechtbank niet in het belang van partijen te achten. Het Uwv had het juister gevonden als de rechtbank in dit geval een schriftelijke vraagstelling had doen uitgaan, alvorens het bestreden besluit te vernietigen.

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat hij meer en zwaarder beperkt is dan in de FML is vastgelegd vanwege – kort weergegeven – zijn psychische klachten, klachten van duizeligheid en nekklachten. Nu zijn beperkingen onjuist zijn vastgesteld, zijn reeds op deze grond de bij de schatting gebruikte functies niet voor hem geschikt. Bovendien is bij deze functies onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat hij amper Nederlands kan lezen, aldus betrokkene. Ter zitting zijn namens betrokkene de aangevoerde gronden ter zake van de vooringenomenheid van de bezwaarverzekeringsarts en het niet (aanvullend) inwinnen van inlichtingen door de bezwaarverzekeringsarts bij de RIAGG ingetrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot hetgeen door het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, stelt de Raad vast dat de medische grondslag van het bestreden besluit is gebaseerd op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 3 juli 2007 en 24 augustus 2007 en de FML van 20 april 2006. Naar het oordeel van de Raad komt in deze rapporten duidelijk naar voren dat de vraag in hoeverre de door betrokkene aangegeven klachten van duizeligheid en aan de nek kunnen worden geobjectiveerd en de vraag of deze klachten moeten leiden tot het aannemen van medische beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts ontkennend worden beantwoord. Voorts onderschrijft de Raad de opvatting van het Uwv dat uit deze rapporten van de bezwaarverzekeringsarts voldoende blijkt dat en waarom de door de rechtbank bedoelde aandachtspunten niet in de FML van 20 april 2006 zijn opgenomen.

4.2. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 volgt dat het hoger beroep van het Uwv doel treft en dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Daarbij merkt de Raad nog het volgende op. De rechtbank heeft eerst ter zitting het Uwv geconfronteerd met de door haar aanwezig geachte onduidelijkheden tussen enerzijds de FML van 20 april 2006 en anderzijds het rapport van de primaire verzekeringsarts, waarop het bestreden besluit niet (direct) is gebaseerd. Het had in de rede gelegen dat de rechtbank, nu kennelijk naar haar oordeel een afdoende antwoord was uitgebleven, zij, mede in het belang van partijen uit het oogpunt van proceseconomie het onderzoek had heropend en het Uwv om een nadere toelichting had verzocht, alvorens tot haar oordeel te komen dat het bestreden besluit om genoemde redenen van onduidelijkheid diende te worden vernietigd.

4.3. Gezien hetgeen betrokkene heeft aangevoerd met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn hiervoor vermelde rapporten van 3 juli 2007 en 24 augustus 2007 mede aan de hand van de vele zich onder de stukken bevindende medische gegevens van de behandelend sector inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen voor betrokkene op de datum in geding gelden bij het verrichten van arbeid. Voorts is de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad in zijn rapport van 8 augustus 2008 voldoende ingegaan op de door betrokkene in de procedure bij de rechtbank ingebrachte medische gegevens en heeft de bezwaarverzekeringsarts de door betrokkene aangevoerde gronden op afdoende wijze weerlegd. Ook hetgeen in hoger beroep door betrokkene is aangevoerd gaf het de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding het eerder ingenomen standpunt met betrekking tot betrokkenes belastbaarheid te wijzigen. De Raad ziet geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden.

4.4. De rechtbank is niet toegekomen aan de beoordeling van de geschiktheid van betrokkene voor de functies, waarop de schatting is gebaseerd. De Raad heeft geen termen aanwezig geacht de zaak voor verdere behandeling naar de rechtbank terug te wijzen, maar zal mede omdat partijen daarom hebben verzocht de zaak zelf afdoen.

4.5. De Raad stelt vast dat de schatting uiteindelijk is gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), textielproductenmaker (Sbc-code 111160) en produktiemedewerker metaal- en elektro-industrie (Sbc-code 111171).

Uitgaande van de juistheid van de vaststelling van de medische beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 20 april 2006, is de Raad van oordeel dat deze functies, gelet op de daaraan verbonden aspecten, als voor betrokkene in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

4.6. Ten aanzien van de door betrokkene eerst in hoger beroep bij brief van 11 december 2009 aangevoerde grond met betrekking tot zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal, heeft het Uwv ter zitting gemotiveerd het standpunt ingenomen dat, daargelaten of deze stelling juist is, waar immers de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 7 juli 2006 de beheersing van de Nederlandse taal als voldoende heeft aangemerkt, het gestelde amper Nederlands kunnen lezen in deze functies geen belemmering is. De Raad onderschrijft dit standpunt van het Uwv. De Raad voegt daaraan nog toe dat de functies geen bijzondere eisen stellen aan de beheersing van de Nederlandse taal. Van betrokkene kan, gelet op zijn opleidingsniveau en zijn werkervaring in Nederland, verwacht worden dat hij deze functies kan vervullen.

4.7. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

EF