Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL3070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
09-469 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering. Bij de aanvang van detentie heeft appellant aan zijn mededelingsverplichting voldaan. Nalatigheid Uwv. Geen dringende reden af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/469 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 december 2008, 08/4517 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar van 12 februari 2007 (hierna: bestreden besluit I) heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluiten van 18 oktober 2006, waarbij het Uwv de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant heeft ingetrokken over de periode van 1 februari 2001 tot 9 december 2004 en van hem heeft teruggevorderd het bedrag aan uitkering dat onverschuldigd over die periode is betaald. Het betreft een bedrag van € 114.584,03 (bruto).

1.2. Hangende het tegen het besluit van 12 februari 2007 in gestelde beroep heeft het Uwv op 7 maart 2008 een gewijzigd besluit op bezwaar (hierna: bestreden besluit II) genomen. Daarbij is de WAO-uitkering van appellant ingetrokken over de periode van 1 februari 2001 tot en met 20 juli 2004 en is het terugvorderingsbedrag verlaagd naar € 102.873,34 (bruto).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met beslissing over de proceskosten, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk en beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard.

3. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad verklaard dat het hoger beroep zich slechts uitstrekt tot het oordeel van de rechtbank over de terugvordering van de WAO-uitkering, waarbij de berekening en de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet betwist worden. Aangevoerd is dat appellant bij de aanvang van zijn detentie aan zijn mededelingsverplichting heeft voldaan, dat het Uwv in ieder geval eind 2002/begin 2003 op de hoogte moet zijn geweest van appellants WAO-uitkering en dat het Uwv nalatig is geweest en fout op fout heeft gestapeld. De financiële gevolgen van de terugvordering zijn desastreus voor appellant. Indien het Uwv eerder actie had ondernomen, was het nooit zover gekomen. Hij moet thans jarenlang van een minimuminkomen rondkomen.

4.1. De Raad volgt appellant niet hierin en overweegt als volgt.

4.2. Als gevolg van de intrekking van de WAO-uitkering van appellant over de periode van 1 februari 2001 tot en met 20 juli 2004 op grond van artikel 43, vijfde lid, van de WAO, staat vast dat onverschuldigd WAO-uitkering is betaald aan appellant. Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO is het Uwv gehouden tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde. Slechts indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan, aldus het bepaalde in het vierde lid van artikel 57 van de WAO, het Uwv beslissen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van terugvordering optreden. Wat door appellant daaromtrent is aangevoerd, daargelaten wat daar van zij, kan niet als dringende reden worden aangemerkt, zoals ook door de rechtbank is geoordeeld. Datgene ziet grotendeels op het ontstaan van de vordering, niet zozeer op de gevolgen daarvan. Dat appellant, zoals hij stelt, jarenlang van een minimuminkomen moet rondkomen, kan evenmin als een dringende reden worden aangemerkt.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EK