Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
08-6164 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening van het terugvorderingbesluit. Geen relevante nieuwe feiten of gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6164 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 21 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

12 september 2008, kenmerk BZ 47792, JZ/C80/2008 ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Oudendijk, advocaat te Amsterdam. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verweerster heeft bij besluit van 29 mei 2002 aan appellante met ingang van 1 juli 2002 een periodieke uitkering als weduwe van een vervolgde toegekend. Bij de berekening van deze uitkering heeft verweerster in aanmerking genomen dat aan appellante volgens een besluit van de Sociale verzekeringsbank van 19 april 2002 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) is toegekend van € 799,70 bruto per maand. Bij besluit van 20 maart 2006 heeft verweerster de uitkering over de periode van juli 2002 tot en met februari 2006 herzien in verband met een door appellante ontvangen nabetaling aan AOW pensioen. Verweerster heeft hierbij vastgesteld dat appellante over die periode € 2.835,20 te veel heeft ontvangen en heeft dat bedrag van haar terug-gevorderd. Een door appellante tegen verweersters besluit van 20 maart 2006 gemaakt bezwaar is bij besluit van 23 mei 2006 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de Raad. Bij uitspraak van 5 april 2007, nr. 06/3977, heeft de Raad het beroep ongegrond verklaard.

1.2. In februari 2008 is namens appellante een verzoek om herziening van het terug-vorderingbesluit van 23 mei 2006 ingediend. Verweerster heeft geen aanleiding gezien het eerdere besluit te herzien. Verweerster heeft het herzieningsverzoek bij besluit van 19 maart 2008 afgewezen. Deze afwijzing is gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit.

2. De Raad moet de vraag beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep naar voren is gebracht, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.1. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op een daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend kan toetsen. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als hier aan de orde centraal de vraag of appellante bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij de eerdere besluitvorming niet bekend waren en dit besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2. Appellante baseert haar verzoek op het volgende. In april of mei 2002 is een rapporteur van verweerster bij haar geweest. Doel van het bezoek was om inkomens-gegevens te verkrijgen en tot een juiste vaststelling van de WUV-uitkering te komen. Appellante heeft tijdens dat onderzoek een brief met gegevens over haar AOW-pensioen verstrekt. Op die brief staat bij het pensioenbedrag vermeld ‘=92%’. De rapporteur had moeten onderzoeken of een korting van 8% op het AOW-pensioen terecht was. Hij heeft zelfs verzuimd appellante op deze korting te attenderen, daarmee haar de kans ontnemend om al in 2002 met succes tegen de korting op te komen.

2.3. Verweerster heeft geoordeeld dat appellante bij haar herzieningsverzoek en tijdens de bezwaarprocedure geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, op grond waarvan het eerdere terugvorderingbesluit van 23 mei 2006 zou moeten worden herzien. De Raad kan verweerster hierin volgen en is van oordeel dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toets kan doorstaan. De Raad wijst erop dat appellante ook in haar beroep tegen het besluit van 23 mei 2006 al een beroep heeft gedaan op - kort weergegeven - het tekort schieten in de zorgplicht door verweerster. De Raad heeft in zijn uitspraak van 5 april 2007 hierover al het volgende overwogen:

‘Bovendien en ten overvloede ziet de Raad aanleiding het volgende op te merken. Namens appellante is het standpunt ingenomen dat verweerster de op haar rustende zorgplicht jegens appellante niet is nagekomen, nu de medewerker van verweerster die appellante heeft bezocht in verband met het verzamelen van financiële gegevens ten behoeve van de vaststelling van de aan haar toekomende periodieke uitkering niet onmiddellijk heeft opgemerkt dat appellante een gekort AOW pensioen ontving. Deze opvatting kan de Raad niet onderschrijven. Naar zijn oordeel heeft deze gang van zaken, die door verweerster bij wijze van service aan uitkeringsgerechtigden wordt gevolgd, geen andere functie dan te komen tot een juiste en zorgvuldige berekening van de periodieke uitkering ingevolge de Wet. Hierbij kan en mag worden uitgegaan van de juistheid van uit schriftelijke stukken blijkende gegevens die voor berekening van deze periodieke uitkering van belang zijn.’

2.4. Het beroep van appellante moet daarom ongegrond worden verklaard.

3. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.M.L.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD