Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
09-6661 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontheffing van werkzaamheden op locatie A. Besluit 1 inhoudende dat verzoeker zijn werkzaamheden alleen nog in standplaats B dient uit te voeren, omdat verzoeker zich negatief heeft uitgelaten over werkgever. Geen toereikende onderbouwing van het standpunt dat verzoeker zich niet loyaal heeft uitgelaten over werkgever. Toewijzing verzoek voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter schorst de werking van (het hier in geding zijnde gedeelte van) besluit 1 en van het ontheffingsbesluit totdat door de Raad in de bodemprocedure zal zijn beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6661 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de artikelen 17 en 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),

in verband met het geding tussen:

verzoeker

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)

Datum uitspraak: 1 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: rechtbank) van 5 oktober 2009, 09/5284 en 09/5295, LJN BK0336 (hierna: aangevallen uitspraak).

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister op 13 november 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (hierna: besluit 1).

Verzoeker heeft te kennen gegeven dat besluit 1 niet aan zijn bezwaar tegemoetkomt en heeft in verband daarmee een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2010. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Billiet-de Jonge, werkzaam bij het Ambtenarencentrum. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van Arkel, advocaat te ’s-Gravenhage, en A. van Loy en A. Bramakker, beiden werkzaam bij het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker is sinds 1 februari 1975 werkzaam bij het KNMI, een agentschap van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, laatstelijk als [naam functie] met als aandachtsgebied [aandachtsgebied]. Sinds 1 juli 1996 is verzoeker belast met het verrichten van opleidingsactiviteiten bij de [naam dienst] te [locatie] Met ingang van 1 september 2003 is de standplaats van verzoeker gewijzigd van [naam standplaats A] in [naam standplaats B]. Feitelijk bleef verzoeker echter gedurende ongeveer 80% van zijn tijd - deels als [naam functie A], deels door opleidingen te verzorgen - werkzaam te [vestiging A] ten behoeve van de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL).

1.2. Bij besluit van 17 november 2008 (hierna: ontheffingsbesluit) heeft het Hoofd Productie van het KNMI verzoeker als dienstopdracht opgedragen dat hij, voor zover hier van belang, alle activiteiten die vallen buiten het lopen van operationele diensten binnen de weerkamer te [naam standplaats B], staakt. Daarmee werd verzoeker ontheven van zijn werkzaamheden te [locatie] De minister heeft na bezwaar het ontheffingsbesluit gehandhaafd bij besluit van 14 juli 2009.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voor zover hier van belang het beroep van verzoeker tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en een opdracht gegeven die ertoe strekt dat een nieuwe beslissing wordt genomen op het bezwaar van verzoeker tegen het ontheffingsbesluit.

2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister een nieuwe beslissing op bezwaar, besluit 1, genomen. Voor zover hier van belang is het ontheffingsbesluit opnieuw gehandhaafd.

3. Verzoeker kan zich (ook) met dit besluit 1 niet verenigen.

4. Hij heeft in verband daarmee het verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt ertoe dat hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn werkzaamheden te [vestiging A] ten behoeve van de LVNL te hervatten.

5. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval, in een aanhangig hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb - naar alle waarschijnlijkheid - mede betrokken zal worden een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuwe beslissing waarmee niet is tegemoet gekomen aan het bezwaar van de belanghebbende, kan ter zake van dat nieuwe besluit de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 17 van de Beroepswet op verzoek een voorlopige voorziening treffen.

5.2. Nu verzoeker voordien ongeveer 80% van zijn werktijd op [vestiging A] werkzaam was en besluit 1 impliceert dat verzoeker zijn werkzaamheden alleen nog in [naam standplaats B] dient uit te voeren, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter, anders dan de minister betoogt, sprake van een - wezenlijke - wijziging in de rechtspositie van verzoeker. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang aanwezig. De te beantwoorden vraag is dan of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat deze wijziging in rechte houdbaar is. Daarbij wordt opgemerkt dat een oordeel hierover een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de beslissing in de hoofdzaak.

5.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onder 5.2 geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord en hij overweegt daartoe als volgt.

5.3.1. De minister heeft zich, zoals ter zitting nader toegelicht, op het standpunt gesteld dat verzoeker in zijn houding, gedrag en communicatie jegens afnemers, waaronder de LVNL, bij herhaling blijk heeft gegeven van onvrede jegens (beslissingen van) het KNMI. Volgens de minister stelt verzoeker reeds een aantal jaren het KNMI geregeld in een ongunstig daglicht bij belangrijke afnemers. Daar waar de minister verwacht dat zijn medewerkers zich loyaal opstellen in de richting van hun werkgever en eventuele knelpunten intern bespreken, maakt verzoeker er volgens de minister een gewoonte van om de zogenoemde vuile was buiten te hangen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de directe aanleiding voor de opdracht aan verzoeker om vanaf 17 november 2008 al zijn operationele diensten te [naam standplaats B] uit te voeren, kennelijk gelegen is geweest in een voorval op of omstreeks 3 oktober 2008. De over dit voorval beschikbare e-mailcorrespondentie biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel bepaald geen toereikende onderbouwing voor het door de minister betrokken standpunt. De e-mailwisseling laat zien dat verzoeker gewag heeft gemaakt van - zijn zorg over - (technische) problemen bij de meteorologische datavoorziening ten behoeve van de LVNL. Het betreft hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter veeleer een zakelijke mededeling. Dat verzoeker het KNMI met deze mededeling bij de LVNL in diskrediet heeft gebracht, is de voorzieningenrechter niet kunnen blijken. Ter zitting heeft de minister desgevraagd aangegeven dat het voorval ook geen repercussies heeft gehad voor de relatie tussen het KNMI en de LNVL. In de gedingstukken zijn weliswaar wat oudere gegevens aanwezig die enige steun zouden kunnen geven aan het standpunt van de minister over de opstelling van verzoeker, maar nog in het verslag van het functioneringsgesprek van 2 april 2008 ontbreekt een genoegzaam aanknopingspunt daarvoor.

6. Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat (ook) de aan besluit 1 ten grondslag gelegde motivering het ontheffingsbesluit niet kan dragen en dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat besluit 1 (in zoverre) geen stand zal houden. Op grond van dit oordeel ziet de voorzieningenrechter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld zijn werkzaamheden te [vestiging A] ten behoeve van de LVNL te hervatten.

7. De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze worden begroot op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe; Schorst de werking van (het hier in geding zijnde gedeelte van) besluit 1 en van het ontheffingsbesluit totdat door de Raad in de bodemprocedure zal zijn beslist;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat appellant aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Lammerse.

RW