Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
08-4243 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2007 heeft de korpsbeheerder appellant met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) in het belang van de dienst met ingang van 3 mei 2007 overgeplaatst. Ingevolge artikel 64 van het Barp, voor zover hier van belang, is de politieambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht een andere functie dan die waarin hij is aangesteld te aanvaarden, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestaat een overplaatsing zoals hier in geding uit twee componenten, te weten de ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een andere betrekking. In verband daarmee kan de motivering van een overplaatsingsbesluit van uiteenlopende aard zijn, al naar gelang het accent valt op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een ambtenaar uit een betrekking te ontheffen dan wel op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een andere betrekking door die ambtenaar te laten vervullen. In beide gevallen moet worden voldaan aan de eis, dat de nieuwe betrekking passend is. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat de korpsbeheerder in de opstelling van appellant op 16 november 2006 een bijzonder geval mocht zien als bedoeld in artikel 64 van het Barp, waarin het belang van de dienst tewerkstelling van appellant op een andere plaats vorderde, zodat de korpsbeheerder bevoegd was om appellant over te plaatsen. Daarbij heeft de rechtbank terecht betekenis toegekend aan het gegeven dat de uitbarsting in het tweede gesprek in wijdere kring hoorbaar is geweest. Vervolgens staat de Raad voor de vraag, of de korpsbeheerder appellant daadwerkelijk in een andere passende betrekking heeft geplaatst. Kennelijk is de korpsbeheerder bij zijn besluitvorming niet nagegaan of een brede invulling van de nieuwe functie van appellant te verwezenlijken was zodat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en dus wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft het bestreden besluit ten onrechte in stand gelaten. De aan-gevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. De korpsbeheerder zal met inacht-neming van hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4243 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 juni 2008, 07/2200 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio IJsselland (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 28 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Heijink, werkzaam bij de Reformatorische Maatschappelijke Unie Werknemers. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen, werkzaam bij de politieregio IJsselland.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad

uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was laatstelijk sinds mei 2003 werkzaam als [naam functie A] (schaal 8) bij het district [naam district] van voornoemde politieregio. Voordien bekleedde hij de leidinggevende functie van [naam functie B] op schaal 9 niveau. Appellant is na zijn plaatsing in de functie van [naam functie A], bezoldigd gebleven naar schaal 9. Partijen hebben in februari 2004 afspraken gemaakt over toevoeging van taken aan de werkzaamheden van appellant, waarmee beoogd werd recht te doen aan de leidinggevende kwaliteiten van appellant en aan zijn bezoldiging volgens schaal 9. Deze afspraken betroffen onder meer het functioneren als onderzoeksleider, het belast zijn met de coördinatie van de uitvoering van het werkproces binnen een bepaald aandachtsgebied, het samenstellen van een onderzoeksteam en het fungeren als hulpofficier van justitie. Gelet op deze afspraken is appellant medio 2005 ingezet als projectleider [naam project]. In september 2006 is aan appellant meegedeeld dat hij per 1 januari 2007 niet langer projectleider zou zijn.

1.2. Op 16 november 2006 trof de plaatsvervangend districtschef K 15 ordners in zijn werkkamer aan met betrekking tot het project [naam project], die daar door appellant waren geplaatst. Vervolgens heeft die dag een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, zijn leidinggevende en K. In dat gesprek heeft appellant zich negatief uitgelaten over K. Na afloop van het gesprek is appellant weggegaan. Hij is na enige tijd terug gegaan naar de kamer van K. Het is vervolgens tot een uitbarsting gekomen waarbij appellant met luide stem beledigingen heeft geuit aan het adres van K. Volgens de korpsbeheerder heeft appellant hierdoor verdere samenwerking met K onmogelijk gemaakt.

1.3. Bij besluit van 23 april 2007 heeft de korpsbeheerder appellant met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) in het belang van de dienst met ingang van 3 mei 2007 overgeplaatst naar de Bovenregionale Recherche Noord en Oost Nederland (BRNON), in de functie van [naam functie A]. Bij het bestreden besluit van 19 november 2007 is dit overplaatsingsbesluit, na door appellant gemaakt bezwaar, gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 64 van het Barp, voor zover hier van belang, is de politieambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht een andere functie dan die waarin hij is aangesteld te aanvaarden, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestaat een overplaatsing zoals hier in geding uit twee componenten, te weten de ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een andere betrekking. In verband daarmee kan de motivering van een overplaatsingsbesluit van uiteenlopende aard zijn, al naar gelang het accent valt op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een ambtenaar uit een betrekking te ontheffen dan wel op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een andere betrekking door die ambtenaar te laten vervullen. In beide gevallen moet worden voldaan aan de eis, dat de nieuwe betrekking passend is.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat de korpsbeheerder in de opstelling van appellant op 16 november 2006 een bijzonder geval mocht zien als bedoeld in artikel 64 van het Barp, waarin het belang van de dienst tewerkstelling van appellant op een andere plaats vorderde, zodat de korpsbeheerder bevoegd was om appellant over te plaatsen. Daarbij heeft de rechtbank terecht betekenis toegekend aan het gegeven dat de uitbarsting in het tweede gesprek in wijdere kring hoorbaar is geweest. Verder heeft de rechtbank terecht meegewogen dat het incident zijn oorzaak vond in een al jarenlang bestaande slechte verstandhouding tussen appellant en K en dat deze problematiek volgens appellant niet oplosbaar was.

3.3. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de ordemaatregel niet ten aanzien van hem maar ten aanzien van K getroffen had moeten worden. Het was immers appellant die zich onheus heeft uitgelaten ten aanzien van K en niet andersom. Anders dan appellant wil doen voorkomen, komt het de Raad bovendien voor dat appellant met het neerzetten van een groot aantal ordners op de kamer van K, heeft geweten dat dit tot een (mogelijkerwijs escalerend) gesprek met K zou leiden. Dat geldt temeer omdat K niet de aangewezen persoon was aan wie materiaal over het project kon worden overge-dragen. Vanwege de al jaren bestaande slechte verstandhouding tussen appellant en K was er immers bewust voor gekozen dat K niet langer de portefeuillehouder van het project was.

3.4. Vervolgens staat de Raad voor de vraag, of de korpsbeheerder appellant daadwerkelijk in een andere passende betrekking heeft geplaatst.

3.5. Appellant is door de verplaatsing organiek in eenzelfde functie van [naam functie A] (schaal 8) gekomen. Aan het bestreden besluit ligt echter ook ten grondslag dat zo spoedig mogelijk de tussen partijen in 2004 afgesproken toegevoegde taken in de nieuwe functie van [naam functie A] bij BRNON concreet worden ingevuld. De Raad begrijpt dit aldus, dat de korpsbeheerder de functie eerst passend vindt als de afspraken van 2004 over toegevoegde werkzaamheden op korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Appellant heeft echter gesteld dat hij voor een goede uitoefening van de functie van [naam functie A] bij BRNON, gelet op het specialistische karakter van het werk, geruime tijd nodig heeft om voldoende vakinhoudelijk kennis op te bouwen. Hij doet nu eenvoudig werk dat ver onder zijn niveau ligt en van toegevoegde taken is geen sprake. De korpsbeheerder heeft dat niet weersproken. Kennelijk is de korpsbeheerder bij zijn besluitvorming niet nagegaan of een brede invulling van de nieuwe functie van appellant te verwezenlijken was zodat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en dus wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

3.6. De rechtbank heeft het bestreden besluit ten onrechte in stand gelaten. De aan-gevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. De korpsbeheerder zal met inacht-neming van hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

3.7. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding de korpsbeheerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt de korpsbeheerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 23 april 2006 met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de korpsbeheerder tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-;

Bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD