Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2808

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
08-2827 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Voldoende beperkingen aangenomen op grond van paniekstoornis met angstklachten. Geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante niet passend zijn te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2827 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2008, 07/963

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 17 december 2009 heeft appellante een expertise rapport van 9 december 2009 van GZ psycholoog drs. M.J. Spaans overgelegd.

Namens het Uwv heeft bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek op 4 januari 2010 op dit rapport gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Namens appellante is mr. J.D. van Alphen, kantoorgenoot van mr. Heek verschenen. Voor het Uwv is verschenen F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als apothekersassistente. Op 29 oktober 1997 is zij uitgevallen wegens psychische klachten. Aan appellante is, in aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 28 oktober 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling in verband met het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit is appellante onderzocht door de verzekeringsarts A.K. van Barneveld, die in zijn rapport van 24 juli 2006 tot de conclusie is gekomen dat appellante medisch gezien in staat is arbeid te verrichten. Er zijn beperkingen te stellen ten aanzien van de psychische belastbaarheid. Deze beperkingen zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 juli 2006. Een urenbeperking achtte van Barneveld evenwel niet noodzakelijk en hij nam niet waar dat de aandacht was verminderd. Daarna heeft de arbeidsdeskundige S. Tjon na functieduiding vastgesteld dat er geen sprake meer is van verlies aan verdienvermogen. Bij besluit van 26 juli 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 25 september 2006 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellante is afgenomen naar minder dan 15%.

2. De bezwaarverzekeringsarts Koek heeft appellante gezien tijdens een hoorzitting en zij heeft, na weging van de beschikbare medische gegevens, geconcludeerd dat de verzekeringsarts terecht een FML heeft opgesteld en dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige P. Thoen per functie de markeringen die zijn aangegeven in het ‘Resultaat functiebeoordeling’ toegelicht en de functies besproken met de bezwaarverzekeringsarts. Vanwege een aanpassing van het maatmaninkomen is het loonverlies bepaald op 1,53%. In lijn hiermee is bij besluit van 20 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juli 2006 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige

grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en het beroep ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij door haar lichamelijke en psychische klachten niet duurzaam belastbaar is met fulltime arbeid. Zij heeft onverminderd te kampen met angstgevoelens, depressiviteit en vermoeidheidsklachten en acht het ten onrechte dat zij zonder nader specialistisch onderzoek volledig met arbeid belastbaar wordt geacht. Appellante heeft erop gewezen dat zij sinds begin 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangt en onder behandeling is bij GGZ Buitenamstel met als werkdiagnose Posttraumatische stressstoornis (PTSS). Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante gewezen op conclusies van de door haar aangevraagde expertise, waaruit blijkt dat appellante voldoet aan de criteria van de diagnose PTTS. Ter zitting van de Raad is namens appellante betoogd dat met de klachten ten gevolge van de PTTS zoals moeite met concentreren en verdelen van aandacht en vermoeidheidsklachten te weinig rekening is gehouden.

4.2. De Raad overweegt als volgt.

4.3. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts op basis van de bevindingen tijdens zijn onderzoek bestaande uit dossierstudie en een gesprek met appellante, tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een paniekstoornis met angstklachten. In verband hiermee zijn beperkingen aangenomen. Bezwaarverzekeringsarts Koek heeft op basis van de beschikbare medische gegevens geconcludeerd dat de ernst van de aandoening is verminderd. Appellante gebruikte immers geen antidepressiva meer. Er waren voorts op het spreekuur (bij de verzekeringsarts) geen verschijnselen meer van een specifieke ernstige depressieve stoornis; appellante claimt voornamelijk angstklachten. De FML sluit in voldoende mate aan op de diagnose paniekstoornis en het klinisch beeld.In reactie op het rapport van psycholoog Spaans heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat in dat rapport wordt bevestigd dat er (in 2009) nog steeds angstklachten bestaan en dat in verband met deze klachten in de FML forse beperkingen zijn aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts concludeert dat de rapportage van de psycholoog de visie van het Uwv bevestigt. De Raad kan met de visie van de bezwaarverzekeringsarts instemmen en overweegt dat het feit dat in de expertise (weer) de diagnose PTTS wordt genoemd op zich onvoldoende aanleiding geeft om twijfel te zaaien aan het standpunt van het Uwv over de belastbaarheid van appellante. Zoals uit de expertise blijkt staan de angstklachten bij appellante het meest op de voorgrond en daarmee is bij het opstellen van de FML rekening gehouden. Ten slotte heeft bezwaarverzekeringsarts Koek nog telefonisch overleg gehad met verzekeringsarts Tolsma in verband met een ziekmelding per 8 oktober 2007. Hieruit blijkt dat het laten doorlopen van de uitkering op grond van de Ziektewet niet op medische gronden is gebaseerd doch dat dit is geschied uit praktische overweging en in verband met het opstarten van re-integratieactiviteiten.

4.4. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante niet passend zijn te achten.

4.5. Uit de overwegingen 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

EF