Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
09-5177 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek terug te komen van eerder genomen besluit. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De nieuwe jurisprudentie, daargelaten of de situatie die hier aan de orde is vergelijkbaar is met die beoordeeld in de uitspraak van de Raad van 18 augustus 2006, is op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5177 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 augustus 2009, 08/4106

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Os. Het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 16 november 1998 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer. Omdat appellant vrijwillig verzekerd was ingevolge de WAO is door het Uwv aan appellant per 15 november 1999 een WAO-uitkering en WAZ-uitkering toegekend, berekend naar de mate van arbeidsongeschikt van 45 tot 55%. Daarbij is vastgesteld dat het maatmaninkomen van appellant nihil is omdat hij in 1996 en 1997 geen winst heeft gemaakt.

1.2. Bij besluit van 29 augustus 2001 is door het Uwv aan appellant meegedeeld dat de aan hem toe te rekenen fiscale winst in 2000 meer is dan zijn maatman waardoor er geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit, hij op basis van deze inkomsten minder dan 15% (WAO), respectievelijk minder dan 25% (WAZ) arbeidsongeschikt is en dat over de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2001 geen uitkeringen worden uitbetaald. Bij beslissing op bezwaar van 12 februari 2002 heeft het Uwv het bezwaar van appellant daartegen ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit destijds geen beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1. Bij brief van 19 februari 2008 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 12 februari 2002 omdat er volgens appellant vanwege voortschrijdend inzicht alsnog over het jaar 1997 een winst moet worden vastgesteld van € 39.554,-.

2.2. Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de beslissing van 12 februari 2002 onjuist zou zijn.

2.3. Bij besluit van 29 juli 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant daartegen ongegrond verklaard.

3. Appellant kan zich niet verenigen met dit besluit. Volgens appellant blijkt uit de uitspraak van de Raad van 18 augustus 2006, 04/3970 WAZ, LJN AY7687, dat er in het geval van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de fiscale vaststelling.

4. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen, onder verwijzing naar het toetsingskader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de rechterlijke toetsing zich beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het eerdere besluit te herzien. Hetgeen bij de aanvraag en in bezwaar naar voren is gebracht, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat nieuwe jurisprudentie op zichzelf geen grond is voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van een besluit. Verder speelt de eventuele onjuistheid van het besluit waarvan wordt verzocht terug te komen, naar het oordeel van de rechtbank geen rol bij de toets van de rechtbank aan artikel 4:6 van de Awb.

5. Appellant kan zich niet verenigen met deze uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak bij de Raad.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Overeenkomstig het door de rechtbank met juistheid aangehaalde beoordelingskader van artikel 4:6 van de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen - in rechte vaststaand - besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

5.3. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de bij het verzoek gevoegde informatie afkomstig van administratiekantoor Heuer van 11 februari 2008 terecht niet als nova is aangemerkt en verwijst naar overweging 2.4 van de aangevallen uitspraak. Hetgeen appellant in de brief van Heuer heeft aangevoerd, overigens niet onderbouwd met gegevens van de belastingdienst, is slechts een andere onderbouwing van het eerder door appellant ingenomen standpunt in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 29 augustus 2001. Appellant had dit dus destijds naar voren kunnen brengen. Appellant had bovendien beroep kunnen instellen tegen het besluit van 12 februari 2002. De nieuwe jurisprudentie, daargelaten of de situatie die hier aan de orde is vergelijkbaar is met die beoordeeld in de uitspraak van de Raad van 18 augustus 2006, is op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten.

5.4. Het Uwv was gelet op 5.2 en 5.3 bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb het verzoek af te wijzen. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad terecht geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.

EK