Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
08-3633 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek terug te komen van eerder besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Ten aanzien van de stelling van appellant dat het Uwv onderscheid had moeten maken naar het verleden en de toekomst, nu het gaat om een duuraanspraak, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht geen onderscheid heeft aangebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3633 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 mei 2008, 07/1032

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. Quist, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na toestemming van beide partijen heeft de Raad besloten een onderzoek ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij uitspraak van 18 oktober 2005 heeft de rechtbank Middelburg het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv tot handhaving van de weigering een WAZ-uitkering toe te kennen per 19 december 2004 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Hierbij heeft zij overwogen dat het Uwv terecht is uitgegaan van een urenomvang van de maatman van 40 per week, maar dat ten onrechte niet is uitgegaan van het daadwerkelijke aantal gewerkte weken per jaar.

1.2. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 3 juli 2006 heeft het Uwv, ter uitvoering van bovengenoemde uitspraak van de rechtbank, het bezwaar van appellant gegrond verklaard en aan appellant een WAZ-uitkering toegekend met ingang van 20 december 2004 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.4. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

2.1. Bij brief van 10 april 2007 heeft appellant verzocht om terug te komen van het besluit van 3 juli 2006.

2.2. Het Uwv heeft dit geweigerd bij besluit van 3 mei 2007.

2.3. Bij besluit van 5 september 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 september 2007 ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij, kort samengevat, overwogen dat de rechtbank, gelet op de jurisprudentie van de Raad ten aanzien van herzieningsverzoeken op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), slechts dient te beoordelen of appellant nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, die het Uwv hadden moeten nopen om terug te komen van het besluit van 3 juli 2006. Aan beoordeling van de door appellant gestelde evidente onjuistheid van het besluit van 3 juli 2006 komt de rechtbank dan ook niet toe. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de stellingen van appellant ten aanzien van de urenomvang van de maatman en de hoogte van de winst niet zijn op te vatten als nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht geen onderscheid heeft gemaakt naar het verleden en de toekomst omdat appellant in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarbij zij heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 februari 2008

(LJN BC4830).

2.5. In hoger beroep heeft appellant de in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Hij heeft nogmaals gesteld dat, nu er evidente gebreken kleven aan het besluit van 3 juli 2006 ten aanzien van het maatmaninkomen en er geen derdenbelanghebbenden zijn, terwijl appellant een groot financieel belang heeft bij heroverweging, het Uwv in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Voorts heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 februari 2008 (LJN BC4830) ten aanzien van het onderscheid naar verleden en de toekomst bij duuraanspraken.

3.1. De Raad is, met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat het Uwv terecht de afwijzing van het verzoek heeft gehandhaafd onder de overweging dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Ten aanzien van de stelling van appellant dat het Uwv onderscheid had moeten maken naar het verleden en de toekomst, nu het gaat om een duuraanspraak, is de Raad met de rechtbank, en op dezelfde gronden, van oordeel dat het Uwv terecht geen onderscheid heeft aangebracht. De Raad stelt zich dan ook achter de strekking en de overwegingen van de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne.

3.2. Naar het oordeel van de Raad slaagt het hoger beroep niet.

3.3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM