Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
08-6803 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit en de uitgangspunten die aan die overwegingen ten grondslag liggen. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6803 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2008, 08/682 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 januari 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Appellant is - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker. Het geding is gevoegd behandeld met het geding, geregistreerd onder nummer 08/6975 WW, waarin heden afzonderlijk uitspraak is gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker op een bloemenveiling. Hij is voor dat werk op 31 oktober 2005 uitgevallen wegens psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 13 september 2007 vastgesteld dat appellant per 29 oktober 2007 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

1.2. Bij besluit van 7 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de functionele mogelijkheden van appellant, zoals weergegeven in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) correct zijn vastgesteld. Ten aanzien van de psychische klachten zijn door de verzekeringsarts enkele beperkingen aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 31 januari 2008 aangegeven dat met de door de behandelend psychologe gegeven beperkingen rekening is gehouden in de FML. Met het feit dat appellant licht ontvlambaar is, hetgeen voor de behandelend psychologe aanleiding is appellant niet geschikt te achten voor werk, is volgens de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening gehouden door beperkingen te stellen ten aanzien van samenwerking. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 7 februari 2008 hieraan toegevoegd dat samenwerking mogelijk is, indien er sprake is van een eigen afgebakende deeltaak. Ten aanzien van de lichamelijke klachten maakt de rechtbank uit de rapportage van de verzekeringsarts van 6 augustus 2007 op dat deze bekend was met appellants lichamelijke klachten, zoals een triggervinger, ontstoken achillespezen en schouder- en gewrichtsklachten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot die klachten niet te volgen. Appellant heeft geen informatie van bijvoorbeeld de behandelend sector overgelegd, die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand per 29 oktober 2007 en op de beperkingen die hieruit voortvloeien voor het verrichten van werkzaamheden.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank met verwijzing naar de arbeidsdeskundige rapportage van 29 november 2007 geoordeeld dat niet is gebleken dat de in de voorgehouden functies voorkomende belasting de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

3. In hoger beroep heeft appellant aangegeven - kort weergegeven - dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, met name in verband met zijn psychische en gewrichtsklachten. Daartoe heeft hij verwezen naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 6 september 2007, waaruit blijkt dat zijn behandelaar, mevrouw Parriger, van mening was dat appellant vanwege zijn psychische klachten (nog) niet in staat was om gangbare arbeid te verrichten. Appellant acht zich niet in staat de door het Uwv geduide functie van monteur (sbc-code 267050) en medewerker beddencentrale (sbc-code 111333) te vervullen, omdat deze functies een bijzondere belasting kennen op het gebied van samenwerken. Appellant acht zich verder niet in staat de functies van productiemedewerker (sbc-code 111180) en hulpmedewerker tandtechnisch lab (sbc-code 264050) te vervullen, gezien zijn triggervinger en vanwege het feit dat hij in die functies dient te doen aan probleem oplossen. Appellant stelt niet te beschikken over het daarvoor vereiste geduld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank. Hij onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit en de uitgangspunten die aan die overwegingen ten grondslag liggen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Ook in hoger beroep heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zijn belastbaarheid, gemeten naar objectieve maatstaven, meer of zwaarder beperkt is dan door het Uwv met de FML is aangenomen. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep ter ondersteuning van zijn standpunt een medisch stuk in het geding gebracht, dat een ander licht zou kunnen werpen op de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling per de datum hier in geding 29 oktober 2007.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank voorts van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse in dit dossier aanwezige arbeidsdeskundige rapportages, waarbij in het bijzonder in de rapportage naar aanleiding van het beroepschrift van de gemachtigde van appellant is ingegaan op de daarin genoemde arbeidskundige gronden, is ook naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies.

4.3. Ten aanzien van de namens appellant naar voren gebrachte arbeidskundige gronden overweegt de Raad als volgt. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellant dat hij de functies van monteur en medewerker beddencentrale niet zou kunnen verrichten in verband met de bijzondere belasting op het aspect samenwerking. Uit de rapportage van de verzekeringsarts van 6 augustus 2007 blijkt weliswaar dat deze solitair werken meer geschikt acht voor appellant dan samenwerken met anderen, maar dit is in de FML aldus verwoord dat appellant in staat wordt geacht met anderen samen te werken, maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. Zowel uit het formulier Resultaat functiebeoordeling van de functie van monteur als die van medewerker beddencentrale blijkt dat sprake is van een eigen afgebakende deeltaak. Het moet er naar het oordeel van de Raad dan ook voor worden gehouden dat appellant in staat is deze functies te vervullen.

Ten aanzien van het door appellant ingenomen standpunt dat de functies productiemedewerker en hulpmedewerker tandtechnicus niet geschikt zijn in verband met zijn triggervinger en het feit dat probleem oplossen in deze functies voorkomt, wijst de Raad erop dat deze functies niet direct aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ten grondslag liggen. Bovendien is appellant rechtshandig terwijl de triggervinger aan zijn linkerhand zit. Ten aanzien van probleem oplossen is de Raad met de bezwaararbeidsdeskundige van oordeel dat appellant, gelet op zijn opleiding en arbeidsverleden, in staat kan worden geacht praktische problemen op te lossen, zoals die in deze functies kunnen voorkomen.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Gelet op deze uitkomst is voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

BvW

191