Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
09-402 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar voren is gekomen dat appellant vermoedelijk al voor aanvang van de WW-uitkering meehielp in het bedrijf van zijn zoon. Dit had voor het Uwv aanleiding moeten vormen voor een onderzoek naar de omvang van deze werkzaamheden voorafgaand aan de WW-uitkering, teneinde tot een juiste bepaling van de omvang van het recht op uitkering te komen. Immers, de uren die appellant in de periode van 26 weken voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid gemiddeld besteedde aan de ondersteuning van zijn zoon worden, op grond van het door het Uwv gevoerde beleid als zogenoemde vrij te laten uren, buiten beschouwing gelaten. Het Uwv heeft echter in het geheel geen rekening gehouden met deze vrij te laten uren. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/402 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 december 2008, 08/110 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 januari 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Reitsma, werkzaam bij de CNV Hout en Bouw te Drachten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Reitsma, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving sinds 23 augustus 2004 een WW-uitkering. Naar aanleiding van een melding van mogelijke fraude door appellant is medio 2007 door het Uwv een onderzoek ingesteld. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 21 juni 2007. Op basis van deze rapportage is bij besluit van 5 november 2007 de WW-uitkering van appellant met 10 uur per week gekort per 1 juni 2005.

1.3. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt en - nadat het Uwv het bezwaar ongegrond had verklaard bij besluit van 16 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) - beroep bij de rechtbank ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat, op basis van het onderzoeksrapport van het Uwv, vast is komen staan dat appellant werkzaamheden is gaan verrichten ten behoeve van de markthandel van zijn gehandicapte zoon, die op zondagen standplaats inneemt op een markt in Zuidbroek en in de zomerperiode op verschillende markten en braderieën in de regio. Appellant hield zich bezig met het vervoer en het op- en afbouwen van de kraam, met in- en verkoophandelingen en met het bijhouden van de administratie. Omdat de werkzaamheden van appellant, naar het oordeel van de rechtbank, een economische waarde vertegenwoordigen dienen zij te worden aangemerkt als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht.

Voor de rechtbank is voorts vast komen staan dat appellant en zijn echtgenote met de hulp aan hun zoon beoogd hebben voor hem een zaak op te bouwen zodat hij niet meer aangewezen zou zijn op een uitkering. Onder die omstandigheden moeten naar het oordeel van de rechtbank de door appellant verrichte activiteiten worden aangemerkt als beloonbare arbeid, uit hoofde waarvan hij (deels) niet langer als werknemer in de zin van de WW kan worden beschouwd.

3. In hoger beroep heeft appellant erkend dat hij iedere zondag met zijn zoon meegaat naar de markt in Zuidbroek, omdat zijn zoon tengevolge van een handicap niet kan autorijden en niet kan sjouwen. Appellant ziet dit als hulp binnen de gezinssfeer en niet als werk. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat hij zijn zoon ook al hielp toen hij nog niet werkloos was.

4. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant ter ondersteuning van de activiteiten van zijn zoon werkzaamheden heeft verricht die in het economische verkeer op geld waardeerbaar zijn. Dat die werkzaamheden eveneens als hulp in de gezinssfeer kunnen worden aangemerkt, doet daar niet aan af.

4.2. Tijdens het onder 1.2 vermelde onderzoek is naar voren gekomen dat appellant vermoedelijk al voor aanvang van de WW-uitkering meehielp in het bedrijf van zijn zoon. Dit had voor het Uwv aanleiding moeten vormen voor een onderzoek naar de omvang van deze werkzaamheden voorafgaand aan de WW-uitkering, teneinde tot een juiste bepaling van de omvang van het recht op uitkering te komen. Immers, de uren die appellant in de periode van 26 weken voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid gemiddeld besteedde aan de ondersteuning van zijn zoon worden, op grond van het door het Uwv gevoerde beleid als zogenoemde vrij te laten uren, buiten beschouwing gelaten.

Het Uwv heeft echter in het geheel geen rekening gehouden met deze vrij te laten uren.

4.3. Het hoger beroep slaagt derhalve, de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen voor vernietiging in aanmerking.

5. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren van appellant neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) I. Mos.

HD

14.01