Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
09-700 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aanvraag WW-uitkering. Beëindiging arbeidsovereenkomst. Verwijtbaar werkloos. De incidenten zijn zo ernstig, dat appellant zich wel van het risico van ontslag bewust had moeten zijn. De Raad is van oordeel dat de werkgever coulant is geweest in zijn opstelling ten opzichte van appellant en op 6 september 2007 niet heeft gekozen voor ontslag op staande voet, niet betekent - zoals appellant meent - dat daarom geen sprake kan zijn van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW. De Raad is niet gebleken dat er een verband is tussen de ziekte van appellants moeder en de van belang zijnde incidenten. Het Uwv kan daarom niet verweten worden de individuele omstandigheden niet te hebben meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/700 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 december 2008, 08/415 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 januari 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Kootstra, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Namens appellant is mr. Kootstra verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 1 september 2006 in dienst getreden als commercieel medewerker bij [naam besloten vennootschap] (hierna: de werkgever). Nadat appellant zonder bericht op 5 september 2007 niet op het werk is verschenen, is tijdens een gesprek op 6 september 2007 het dienstverband beëindigd. Deze beëindiging is door de werkgever bij brief van 7 september 2007 bevestigd. Partijen zijn nadien in overleg getreden hetgeen er toe heeft geleid dat de werkgever het loon nog heeft doorbetaald tot 1 november 2007. Per die datum heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een WW-uitkering geweigerd. Namens appellant is hiertegen bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 20 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) en heeft daarbij onder meer overwogen dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden ten grondslag ligt.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat, ook al is de dienstbetrekking, na het verkrijgen van een ontslagvergunning, met wederzijds goedvinden beëindigd en zonder dat sprake is van een ontslag op staande voet, er toch sprake kan zijn van een dringende reden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW omdat niet de ontslag-route, maar de ontslagreden bepalend is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

2.2. Voor de rechtbank is vast komen staan dat appellant zich meermalen in een laat stadium heeft afgemeld voor het verrichten van zijn werk en ook enige malen zonder kennisgeving vooraf niet of te laat is verschenen op zijn werk en dat hij daarvoor een, weliswaar niet officiële, waarschuwing heeft gekregen ten tijde van de verlenging van zijn contract per 1 maart 2007. Hierdoor had appellant dienen te begrijpen dat een herhaald niet of te laat komen op het werk voor de werkgever aanleiding zou (kunnen) zijn om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Van de werkgever kon redelijkerwijs niet meer worden gevergd het dienstverband langer te laten voorduren toen appellant op 5 september 2007 zonder enig bericht niet op het werk verscheen, gezien de aard en functie van het bedrijf en de veroorzaakte problemen door vervanging op het laatste moment.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv geen onderzoek in had mogen stellen naar de verwijtbaarheid van zijn werkloosheid, alle individuele omstandigheden van het geval mee had dienen te wegen bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden en dat hij door de werkgever niet is gewaarschuwd dat zijn gedrag tot ontslag zou kunnen leiden. Volgens appellant heeft hij een brief van de werkgever van 14 september 2007, waarin een opsomming is gegeven van de feiten die tot het ontslag hebben geleid en waarop het Uwv het bestreden besluit heeft gebaseerd, niet ontvangen. Persoonlijke omstandigheden zijn door het Uwv niet meegewogen.

4. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

4.1. Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst tussen appellant en de werkgever op initiatief van de werkgever tijdens een gesprek op 6 september 2007, bevestigd bij brief van 7 september 2007, is beëindigd met onmiddellijke ingang. Vervolgens hebben appellant en de werkgever een overeenkomst gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst met “wederzijds goedvinden is ontbonden” per 6 september 2007. Er is daarna een regeling getroffen met de advocaat van de werkgever waarbij het loon is doorbetaald tot 1 november 2007. Per die datum heeft appellant WW-uitkering aangevraagd.

4.2. Aangezien de arbeidsovereenkomst (aanvankelijk) was beëindigd zonder opzegtermijn, waren er voldoende aanknopingspunten voor het Uwv om een onderzoek in te stellen naar de mate van verwijtbaarheid van de werkloosheid van appellant.

4.3. De Raad is - met de rechtbank - van mening dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW en dat aan die werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

4.4. Voor de Raad is vast komen staan dat appellant, in ieder geval vanaf de verlenging van zijn jaarcontract per 1 maart 2007, wist dan wel had moeten weten dat de werkgever van hem verlangde dat hij zijn gedrag zou aanpassen aan de regels van de werkgever. Gezien het door de werkgever gemaakte verslag van gebeurtenissen en incidenten waarbij appellant niet of te laat op het werk verscheen, niet bereikbaar was voor de werkgever en geen bericht van verhindering had gegeven of zich onterecht had ziekgemeld, had het appellant duidelijk moeten zijn dat er sprake was van gedragingen van hem die tot gevolg konden hebben dat het van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat deze de arbeidsovereenkomst liet voortduren. Dat appellant niet wist dat de werkgever vanaf de contractsverlenging een dossier van hem had aangemaakt en dat appellant niet voldoende tot zich heeft laten doordringen dat het de werkgever menens was, doet aan het voorgaande niet af. De incidenten zijn zo ernstig, dat appellant zich wel van het risico van ontslag bewust had moeten zijn.

4.5. Voorts is de Raad van oordeel dat het gegeven, dat de werkgever coulant is geweest in zijn opstelling ten opzichte van appellant en op 6 september 2007 niet heeft gekozen voor ontslag op staande voet, niet betekent - zoals appellant meent - dat daarom geen sprake kan zijn van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW.

4.6. Namens appellant is gesteld dat zijn persoonlijke omstandigheden niet zijn onderzocht c.q. meegewogen in het oordeel. Voor zover appellant hierbij doelt op de viering van zijn verjaardag op 4 september 2007 waarbij er, naar zijn zeggen, iets in zijn drankje zou zijn gedaan waardoor hij de volgende dag niet op het werk heeft kunnen verschijnen en voor de werkgever niet bereikbaar is geweest, heeft appellant echter geen nadere (medische) verklaringen overgelegd. De Raad is voorts niet gebleken dat er een verband is tussen de ziekte van appellants moeder en de van belang zijnde incidenten. Het Uwv kan daarom niet verweten worden de individuele omstandigheden niet te hebben meegewogen.

5. Dit betekent dat de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel is dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) I. Mos.

HD

14.01