Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
08-120 WWB + 08-121 WWB + 08-297 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling laten van de aanvragen. De Raad stelt vast dat appellanten niet binnen de hun gestelde (herstel)termijnen de gevraagde verantwoording van de besteding van het PGB hebben verstrekt. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten over de gevraagde gegevens ten aanzien van het PGB beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Dat zij de gevraagde gegevens niet hebben willen verstrekken vanwege de privacy van derden moet voor hun rekening en risico worden gelaten. De Raad merkt ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting over 2005 op dat, naar zijn vaste rechtspraak, de aard en inhoud van het primaire besluit strekkende tot het buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand meebrengt, dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde (herstel)termijn te verstrekken. Hiervan is naar het oordeel van de Raad geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010, 77
JWWB 2010, 58

Uitspraak

08/120 WWB + 08/121 WWB + 08/297 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 november 2007, 07/556, 07/557, 07/558 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wervershoof (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Enkhuizen, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2009. Voor appellanten is verschenen mr. Deijkers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.M. Visser, werkzaam bij de gemeente Wervershoof.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben op 29 augustus 2006 een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van medicijnen voor hun zoon [P.]. Bij brief van 6 september 2006 heeft het College appellanten verzocht om vóór 20 september 2006 een aantal voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens te verstrekken, te weten: afschriften van de Postbankrekening van appellante en afschriften van andere bank, giro- en/of spaarrekeningen van appellanten over de periode van 28 mei 2006 tot en met 28 augustus 2006 en een verantwoording van het Persoonsgebonden Budget (hierna: PGB) over het laatste jaar voorafgaande aan de aanvraag. Het College heeft appellanten er daarbij op gewezen dat de aanvraag niet zal kunnen worden behandeld indien de gegevens niet binnen de gestelde termijn door het College zijn ontvangen. Bij brief van 12 september 2006 heeft appellante afschriften van verschillende Postbankrekeningen overgelegd en daarbij de gegevens op de afschriften van de Postbankrekening van appellanten onleesbaar gemaakt, met uitzondering van de stortingen. Appellante heeft daarbij aangegeven dat de Postbankrekening van appellanten alleen wordt gebruikt voor de zorginkoop vanuit het PGB voor hun zoon [P.] en dat zij de gegevens op de afschriften heeft afgeplakt, omdat zij vanwege privacywetgeving geen gegevens van derden mag verstrekken.

1.2. Bij besluit van 28 september 2006 heeft het College onder toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van appellanten buiten behandeling gesteld op de grond dat appellanten niet vóór 20 september 2006 de voor de aanvraag benodigde en gevraagde gegevens heeft verstrekt. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 28 september 2006 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

1.3. Appellanten hebben op 14 september 2006 een aanvraag om een bijdrage ingevolge de Verordening Maatschappelijke Participatie (hierna: verordening) en een aanvraag om categoriale bijzondere bijstand ingevolge de WWB voor chronisch zieken, gehandicapten of ouderen ingediend. Bij brieven van 21 september 2006 heeft het College appellanten verzocht om vóór 6 oktober 2006 de voor de behandeling van de aanvraag benodigde gegevens te verstrekken, te weten: een verantwoording van het PGB over het laatste jaar voorafgaande aan de aanvraag. Bij brief van 28 september 2006 heeft appellante het College meegedeeld dat zij vanwege de privacyregelgeving de gevraagde gegevens niet kan verstrekken.

1.4. Bij besluiten van 19 oktober 2006 heeft het College onder toepassing van artikel 4:5 van de Awb de aanvraag om een bijdrage ingevolge de verordening en de aanvraag om categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten of ouderen buiten behandeling gesteld op de grond dat appellanten niet vóór 6 oktober 2006 de voor de behandeling van de aanvragen benodigde en gevraagde gegevens hebben verstrekt. Bij besluiten van 23 januari 2007 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 19 oktober 2006 ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 23 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank onder meer betrekking heeft op de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van appellanten om een bijdrage ingevolge de verordening, welke als zodanig niet in de bijlage bij de Beroepswet is opgenomen. Nu er geen aanknopingpunten zijn voor het oordeel dat de regeling zijn grondslag vindt in een autonome verordening van een decentraal bestuursorgaan en de regeling sterke verwantschap vertoont met artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 51, eerste lid, van de WWB, welke wet wel in de bijlage bij de Beroepswet is opgenomen, is de Raad van oordeel dat hij bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep.

4.2. Voor de in dit geding van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.3. De Raad stelt vast dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank betrekking heeft op de buitenbehandelingstelling van drie afzonderlijke aanvragen op de grond dat appellanten binnen de gegeven hersteltermijn geen verantwoording van de besteding van het PGB ten behoeve van hun zoon [P.] over het laatste jaar voorafgaande aan de aanvragen hebben verstrekt.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voor elk van de drie aanvragen geldt dat voor de beoordeling daarvan het inkomen van de aanvragers moet worden vastgesteld. Voorts is de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 april 2007, LJN BA6882, van oordeel dat het PGB dat AWBZ-verzekerden ontvangen geen inkomen is, tenzij het wordt uitbetaald aan een gezinslid dat de verzorging op zich heeft genomen. De Raad is dan ook van oordeel dat de door het College bij appellanten opgevraagde verantwoording van het PGB noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of sprake is geweest van inkomen.

4.5. De Raad kan appellanten niet volgen in hun stelling dat het College volledig op de hoogte was van de bestedingen uit het PGB. De door appellanten ten tijde van de aanvraag overgelegde goedkeuringen van het Zorgkantoor geven geen inzicht in een mogelijke uitbetaling van het PGB aan een gezinslid dat de verzorging op zich heeft genomen.

4.6. De Raad stelt vast dat appellanten niet binnen de hun gestelde (herstel)termijnen de gevraagde verantwoording van de besteding van het PGB hebben verstrekt.

4.7. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten over de gevraagde gegevens ten aanzien van het PGB beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Dat zij de gevraagde gegevens niet hebben willen verstrekken vanwege de privacy van derden moet voor hun rekening en risico worden gelaten.

4.8. Appellanten hebben gewezen op de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2005 en op andere stukken die zij hangende de bezwaar- en beroepsfase hebben ingebracht. De Raad merkt ten aanzien van deze stukken nog op dat, naar zijn vaste rechtspraak, de aard en inhoud van het primaire besluit strekkende tot het buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand meebrengt, dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde (herstel)termijn te verstrekken. Hiervan is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Appellanten hadden tijdig verantwoording van de besteding van het PGB kunnen afleggen.

4.9. Op grond van het vorenstaande komt de Raad met de rechtbank tot de conclusie dat het College ingevolge artikel 4:5 van de Awb bevoegd was de aanvragen van appellanten buiten behandeling te laten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.10. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

4.11. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

mm