Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
08-4096 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een ANW-uitkering. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. In aanvulling op de aangevallen uitspraak verwijst de Raad nog naar zijn uitspraak van 2 maart 2007 (LJN BA0269) waarin de Raad onder meer heeft geoordeeld dat de wetgever met de keuze voor het geboortecohort 1 januari 1950 in de ANW de grenzen van de hem krachtens artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) toekomende beoordeling niet heeft overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4096 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], Duitsland (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2008, 07/2188 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 27 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op 8 februari 1954 en woonachtig in Duitsland, heeft via het Duitse verbindingsorgaan LVA Westfalen een aanvraag om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ingediend in verband met het overlijden van haar echtgenoot op 26 oktober 2004. De Svb heeft deze aanvraag bij besluit van 5 januari 2005 afgewezen omdat appellante niet aan de voorwaarden voor het recht op nabestaandenuitkering voldoet. Het door appellante tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 29 april 2005 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Op 11 januari 2007 heeft appellante opnieuw via het Duitse verbindingsorgaan een aanvraag om een uitkering ingevolge de ANW ingediend. Hierbij heeft appellante aangegeven dat zij sedert 1 januari 2006 arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit van 12 april 2007 heeft de Svb het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 januari 2007 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de Svb overwogen dat appellante niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor het recht op ANW-uitkering omdat zij niet geboren is voor 1 januari 1950, geen ongehuwd kind heeft van jonger dan 18 jaar en zij niet arbeidsongeschikt is op en sedert de dag van het overlijden van haar echtgenoot. Van discriminatie naar nationaliteit is geen sprake.

2.1. In beroep heeft appellante aangevoerd dat de wettelijke voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een ANW-uitkering een ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd en naar nationaliteit met zich brengen. Hiertoe heeft appellante betoogd dat een onder dezelfde omstandigheden in Duitsland woonachtige Nederlandse weduwe wel voor een Duitse nabestaandenuitkering in aanmerking zou komen. Voorts zou toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 tot een gunstiger oordeel moeten leiden.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen, waar voor eiseres appellante en voor verweerder de Svb dient te worden gelezen:

“In artikel 14 eerste lid, van de Algemene nabestaandewet (ANW) is het volgende bepaald:

1. Recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die:

a. een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of

b. arbeidsongeschikt is

1°. op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde, of

2°. op en sedert de laatste dag van de maand waarin hij niet meer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in onderdeel a, en wiens arbeidsongeschiktheid na de onderscheidenlijk onder 1° en 2° bedoelde dag en ten minste drie maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid tenminste drie maanden na de vorenbedoelde dag zal voortduren; of

c. geboren is voor 1 januari 1950.

In de situatie van eiseres is onbetwist niet voldaan aan voorwaarde a.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij wel degelijk arbeidsongeschikt is, en heeft daarbij stukken overgelegd waaruit naar voren komt dat zij per 1 januari 2006 volledig arbeidsongeschikt is. Uit de stukken blijkt echter in het geheel niet van arbeidsongeschiktheid op 26 oktober 2004. Ook indien met eiseres zou worden aangenomen dat de ziekte eerder ingetreden moet zijn dan per 1 januari 2006, dan nog is dat onvoldoende om aan te kunnen nemen dat ruim een jaar eerder al sprake was van arbeidsongeschiktheid bij eiseres. Aan de voorwaarde b is daarom evenmin voldaan.

Dat niet is voldaan aan voorwaarde c is evenmin in geschil. Eiseres meent echter dat deze bepaling een vorm van leeftijdsdiscriminatie behelst.

De rechtbank volgt eiseres daarin niet.

Daarbij verwijst de rechtbank allereerst naar een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 september 1993 en 5 januari 2001 (vindplaatsen: www.rechtspraak.nl, LJ-nummers ZB2992 en AB3231) in enigszins vergelijkbare zaken. Specifiek waar het betreft onderdeel c van artikel 14, eerste lid, van de Anw, wijst de rechtbank er vervolgens op dat het daarbij (evenals in de tweede genoemde uitspraak van de CRvB) gaat om een bepaling van overgangsrechtelijke aard, die naar zijn aard maar een beperkte tijd praktische geldigheid heeft. Onderdeel c van artikel 14, eerste lid, van de Anw is in de wet opgenomen als gevolg van een amendement uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met als doel te bereiken dat een grote groep vrouwen met een slechte arbeidsmarktpositie en zonder kinderen onder de 18 jaar, onder de bescherming van de wet komen. Gelet op de met name na de jaren zestig gewijzigde arbeidsmarktpositie van de vrouw, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat aan de keuze van 1 januari 1950 als geboortedatum objectieve grond ontbreekt. Van leeftijdsdiscriminatie is dan ook geen sprake.

Eiseres heeft ook gesteld dat sprake is van discriminatie naar nationaliteit. Zij stelt dat een in Nederland woonachtige Nederlandse vrouw wiens Duitse echtgenoot is komen te overlijden, wel voor een Duits weduwenpensioen in aanmerking zou komen.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De rechtbank laat daarbij overigens uitdrukkelijk daar of de stelling van eiseres in zijn algemeenheid feitelijk juist is. Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg (EHvJEG) laat het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van lidstaten om hun socialezekerheidsstelsel in te richten onverlet. Bij het ontbreken van harmonisatie op communautair niveau staat het de betrokken lidstaat vrij om de kring van verzekerden vast te stellen (zie voorbeeld de recente arresten van 13 mei 2003, Müller-Fauré en van Riet, C385/99, en van 8 september 2005, Blanckaert, C-512/03, te vinden op http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=de (de Duitstalige variant van de jurisprudentiewebsite van het EHvJEG)). Verschillen tussen sociale zekerheidsstelsels (bijvoorbeeld tussen een risicostelsel als gehanteerd in Nederland en een opbouwstelsel als in Duitsland meer gebruikelijk) leiden op zich dan ook niet tot de conclusie dat sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit. Ook overigens bestaat in casu geen grond om een dergelijke discriminatie aanwezig te achten. De door verweerder gehanteerde voorschriften zijn zowel op Duitsers als op Nederlanders van toepassing. Door eiseres is dit laatste overigens ook niet betwist.

Eiseres heeft ook nog gewezen op Verordening 883/2004. Deze verordening is echter nog niet in werking getreden, en beoordeling daarvan kan eiseres reeds om die reden niet baten. Overigens wordt in de door eiseres met betrekking tot die verordening overgelegde stukken opgemerkt dat het ook in die verordening (evenals in de thans vigerende Verordening 1408/71) gaat om coördinatie (en dus niet om harmonisatie) van de systemen van sociale zekerheid der Lid-Staten. Het is derhalve nog maar de vraag of toepasselijkheid van die verordening in de situatie van eiseres tot een voor eiseres gunstiger uitkomst zou leiden.”.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.1. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. In aanvulling op de aangevallen uitspraak verwijst de Raad nog naar zijn uitspraak van 2 maart 2007 (LJN BA0269) waarin de Raad onder meer heeft geoordeeld dat de wetgever met de keuze voor het geboortecohort 1 januari 1950 in de ANW de grenzen van de hem krachtens artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) toekomende beoordeling niet heeft overschreden. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

4.2. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Pijper.

RB