Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
08-5708 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor deelname aan de vrijwillige verzekering AOW/ANW. De situatie van appellant wordt beheerst door een juridisch regime dat in betekenende mate afwijkt van het stelsel van rechtsregels dat in de zaak Van Pommeren van toepassing was nu personen als appellant geen aanspraak kunnen maken op vrij verkeer tussen Marokko en de lidstaten van de Europese Unie. Naar het oordeel van de Raad was de besluitwetgever bevoegd om, zonder schending van enige (internationale) rechtsregel, appellant niet onder het bereik van KB 720 te laten vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5708 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2008, 07/4497 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 27 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1968, is in Nederland werkzaam geweest en nadat hij arbeidsongeschikt is geraakt met behoud van de aan hem toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar Marokko geremigreerd in 1997. Tot 1 januari 2000 is appellant deswege verzekerd geweest ingevolge de volksverzekeringen, laatstelijk op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746, hierna: KB 746). Artikel 26 van KB 746 is per 1 januari 2000 vervallen. Uit een kopie van het mailingbestand van het GAK (thans Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Uwv) blijkt dat appellant eind 1999 is geïnformeerd over de wetswijziging en de mogelijkheid tot deelname aan de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.2. Op 8 juni 2007 heeft appellant een aanvraag ingediend voor deelname aan de vrijwillige verzekering AOW/ANW. Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft de Svb de aanvraag van appellant afgewezen.

1.3. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 augustus 2007 is bij besluit op bezwaar van 10 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. De Svb heeft hiertoe overwogen dat appellant niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de ANW nu hij zich niet binnen een jaar na afloop van de verplichte verzekering heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de te late aanmelding niet aan appellant kan worden tegengeworpen. De Svb heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat appellant niet op grond van het Besluit van 19 december 2005, houdende regels inzake een vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de ANW voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden (Stb. 2005, 720, hierna: KB 720) aan de vrijwillige verzekering kan deelnemen nu deze regeling niet op hem van toepassing is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant met name betoogd dat de weigering om appellant toe te laten tot de vrijwillige verzekering in strijd is met het verbod van ongelijke behandeling als neergelegd in diverse internationale verdragen. Appellant is deze mening toegedaan omdat KB 720 waarin een gunstiger regime van toepassing is, een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit met zich brengt, omdat WAO-gerechtigden in Marokko vaker worden geconfronteerd met de uitsluiting van deelname aan de vrijwillige verzekering dan de groep personen die met behoud van een langlopende uitkering in overigens gelijke omstandigheden in een lidstaat van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is gaan wonen vóór 1 januari 2000. Die groep personen is immers door de Svb alsnog tot 1 januari 2008 in de gelegenheid gesteld zich over de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2005 vrijwillig te verzekeren.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad verwijst allereerst naar zijn uitspraak van 15 juni 2009 (LJN BJ3847) waarin de Raad uitgebreid op vergelijkbare grieven is ingegaan als thans door appellant in hoger beroep zijn opgeworpen. In die uitspraak heeft de Raad - samengevat - overwogen dat in KB 720 geen sprake is van een direct onderscheid naar nationaliteit en dat voor de uit de regeling ontstane indirect ongelijke behandeling op grond van andere onderscheidingscriteria een objectieve rechtvaardiging aanwezig is die evenredig is aan het nagestreefde doel.

De vraag of de naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, C-227/03, Van Pommeren-Bourgondiën (hierna: Van Pommeren), in KB 720 opgenomen - tijdelijke - uitzondering op de hoofdregel, gelijkelijk voor appellant dient te gelden, beantwoordt de Raad ontkennend. De situatie van appellant wordt immers beheerst door een juridisch regime dat in betekenende mate afwijkt van het stelsel van rechtsregels dat in de zaak Van Pommeren van toepassing was nu personen als appellant geen aanspraak kunnen maken op vrij verkeer tussen Marokko en de lidstaten van de Europese Unie. Naar het oordeel van de Raad was de besluitwetgever bevoegd om, zonder schending van enige (internationale) rechtsregel, appellant niet onder het bereik van KB 720 te laten vallen.

4.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Pijper.

RB