Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
09-1433 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1433 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2004 (03/2290), waarbij haar beroep tegen het besluit van 3 april 2003 ongegrond is verklaard. Hangende dit hoger beroep heeft het Uwv de Raad medegedeeld dat het besluit van 3 april 2003 niet wordt gehandhaafd en wordt vervangen door het besluit van 14 maart 2008.

Bij uitspraak van 12 maart 2009 (LJN BH7955) heeft de Raad het hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep van betrokkene tegen het besluit van 14 maart 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de nummers 08/5247 en 09/1433 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat) aangemerkt als partij in die procedure.

De Staat heeft erkend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Aan betrokkene is een vergoeding van € 1.000,- aangeboden. Namens betrokkene heeft mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat te Maastricht, dit aanbod geaccepteerd en het geding geregistreerd onder nummer 08/5247 ingetrokken.

Namens het Uwv heeft F.G.E. Houtbeckers een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat te Maastricht, daarop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2009. Betrokkene is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.M.C. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 12 maart 2009 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van 22 januari 2003 van betrokkene - welke bij gebrek aan een aantekening van ontvangst gesteld kan worden op de dag na de dagtekening, dus op 23 januari 2003 - tot de datum waarop uitspraak wordt gedaan zes jaar en zes maanden is verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim twee maanden geduurd. In deze uitspraak heeft de Raad voorts als zijn voorlopig oordeel neergelegd dat de periode vanaf 24 januari 2007, toen het Uwv de Raad berichtte het besluit van 3 april 2003 niet langer te handhaven en een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen, tot de datum van dit besluit - 14 maart 2008 - , dat wil zeggen een jaar en ruim een maand, aan het Uwv dient te worden toegerekend.

2. Het Uwv heeft erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de bestuurlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Het Uwv heeft aangegeven dat - met inachtneming van de periode tussen 24 januari 2007 en 14 maart 2008 - de bezwaarfase ongeveer 16,5 maand heeft geduurd, waardoor de voor de bezwaarfase geldende redelijke termijn van zes maanden met 10,5 maand is overschreden. In afwijking van het in de brief van het Uwv van 7 augustus 2009 neergelegd standpunt, heeft het Uwv zich bij brief van 3 november 2009 op het standpunt gesteld dat betrokkene in aanmerking komt voor een schadeloosstelling van € 1.000,- en de Raad verzocht zodanig te beslissen.

3. Betrokkene heeft aangevoerd dat het Uwv aan haar wegens overschrijding van de redelijke termijn een schadevergoeding van € 2.000,- dient toe te kennen. Betrokkene heeft voorts aangegeven dat het Uwv gehouden is de schade te vergoeden van het geestelijk letsel dat het Uwv haar door de onzorgvuldige besluitvorming heeft toegebracht. Ten slotte heeft betrokkene aangegeven dat de nabetaling van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering haar heeft genoodzaakt fiscaal advies in te winnen en heeft zij het Uwv verzocht de kosten daarvan aan haar te vergoeden.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat in de procedure in haar geheel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, noch dat sprake is geweest van een te lange behandelingsduur door het Uwv. In geschil is de hoogte van de door het Uwv aan betrokkene verschuldigde schadevergoeding.

4.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) mag de behandeling van het bezwaar in beginsel ten hoogste een half jaar mag duren. De Raad stelt vast dat vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van 22 januari 2003 van betrokkene tot het besluit van 3 april 2003 ruim twee maanden zijn verstreken. De Raad is voorts van oordeel, zoals door het Uwv is erkend, dat ook de periode vanaf 24 januari 2007, toen het Uwv de Raad berichtte het besluit van 3 april 2003 niet langer te handhaven en een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen, tot de datum van dit besluit - 14 maart 2008 - , dat wil zeggen één jaar en bijna twee maanden, aan het Uwv moet worden toegerekend. Door het Uwv is voorts niet aangevoerd dat er sprake is geweest van omstandigheden op grond waarvan een langere behandelingsduur dan een half jaar gerechtvaardigd is. Die behandelingsduur is door het Uwv met ruim tien maanden overschreden. Dit aandeel in de totale overschrijding van de redelijke termijn komt voor rekening van het Uwv. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,– per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De Raad ziet in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding van dit bedrag af te wijken. Dit leidt tot een schadevergoeding van twee maal € 500,-, dit is € 1.000,-.

4.4. Voor zover betrokkene met haar verzoek om immateriële schadevergoeding mede het oog heeft op een vergoeding overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek omdat zij als gevolg van de wijze van totstandkoming van het bestreden besluit geestelijk leed heeft ondervonden, overweegt de Raad dat in deze procedure slechts de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is.

4.5. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat ten aanzien van de - eerst op 20 november 2009 - door betrokkene geclaimde vergoeding van materiële schade - bestaande uit de kosten van belastingadvies - nog een besluit zal worden genomen.

4.6. Het onder 4.4 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat het Uwv dient te worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan betrokkene ten bedrage van

€ 1.000,– .

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 322,– voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.000,–;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,–, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

mm