Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
07-6664 WWB + 07-6667 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Appellanten hebben niet duuzaam geschieden geleefd, maar hadden hun hoofdverblijf in dezelfde woning. Schending inlichtingenverplichting. Appellante is niet te kort gedaan door de beslissing van het College om de hoogte van de terugvordering met 13/51 te verlagen in verband met het feit dat eerst 13 maanden na ontvangst van de anonieme tip met het rechercheonderzoek kon worden gestart. Het aldus verlaagde terugvorderingsbedrag houdt derhalve in rechte stand.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/72
JWWB 2010, 57
ABkort 2010/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6664 WWB

07/6667 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], (hierna: appellante) en [appellant], (hierna: appellant), beiden wonende te Apeldoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 oktober 2007, 07/562 en 07/548 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Douwes, advocaat te Apeldoorn, en namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaken ter behandeling gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2009, waar namens appellante is verschenen mr. Douwes voornoemd. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S.J.M. Zuidam, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten waren ten tijde hier in geding gehuwd. Naar aanleiding van de opgave van appellante dat zij van appellant wilde scheiden en niet meer met hem samenwoonde, is haar met ingang van 1 december 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend met een toeslag van 20%, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip op 12 mei 2004 inhoudende dat appellant sinds ongeveer drie jaar zijn woning aan derden onderverhuurt en appellanten samenwonen, heeft het Team Sociale Recherche van de gemeente Apeldoorn een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is bij diverse instanties om inlichtingen gevraagd, hebben waarnemingen en observaties plaatsgevonden, zijn getuigen gehoord, is een buurtonderzoek ingesteld en zijn appellanten verhoord. Op grond van de resultaten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 10 mei 2006, heeft het College geconcludeerd dat appellanten vanaf 27 november 2001 niet duurzaam gescheiden hebben geleefd, maar nog steeds het hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

1.3. Bij besluit van 7 juni 2006 heeft het College, voor zover hier van belang, de bijstand van ap-pellante over de periode 27 november 2001 tot en met 28 februari 2006 ingetrokken op de grond dat appellante verzuimd heeft mededeling te doen van het gezamenlijk hoofdverblijf van haar en appellant vanaf genoemde datum en dat door dat gezamenlijk hoofdverblijf sprake was een geza-menlijke huishouding in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Voorts heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB de kosten van de aan appellante over de periode van 27 november 2001 tot en met 28 februari 2006 verleende bij-stand tot een bedrag van € 63.389,31 van appellante teruggevorderd. Het College heeft zich daar-toe gebaseerd op de onder 1.2 genoemde onderzoeken.

1.4. Bij datzelfde besluit van 7 juni 2006 heeft het College met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB de ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand over de periode van 27 november 2001 tot en met 28 februari 2006 tot een bedrag van € 63.389,31 mede van appellant teruggevorderd.

1.5. Bij afzonderlijke besluiten van 16 februari 2007 heeft het College - onder wijziging van de grondslag van het besluit in artikel 3, tweede lid, aanhef en sub b, van de WWB - het bezwaar van appellante respectievelijk appellant tegen het besluit van 7 juni 2006 ongegrond verklaard, met dien verstande dat het bedrag van de terugvordering met 13/51 is verlaagd, in verband met het feit dat als gevolg van de werkvoorraad van de sociaal rechercheurs pas 13 maanden na ontvangst van de anonieme tip met het rechercheonderzoek kon worden gestart en de schade voor appellante en appellant daardoor volgens het College onacceptabel is toegenomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante in het geding 07/562 ongegrond verklaard, het beroep van appellant in het geding 07/548 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij is geweigerd overeenkomstig artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden, bepaald dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft, en het College veroordeeld in de kosten van appellant in verband met de behandeling van zijn bezwaar en het beroep.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover zij daarbij in het ongelijk zijn gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het hoger beroep van appellante, zaak 07/6667 WWB.

4.1.1. Namens appellante is ter zitting van de Raad allereerst verzocht om haarzelf, appellant en de bij de rechtbank als getuige gehoorde persoon als getuigen te horen. Zij kunnen verklaren, aldus appellante, dat appellanten niet hebben samengewoond. De Raad ziet geen aanleiding om op dit bewijsaanbod in te gaan. Ingevolge artikel 8:60, vierde lid, van de Awb kunnen partijen getuigen meebrengen naar de zitting om hen te doen horen of hen daartoe oproepen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan de Raad en de andere partij mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen van die getuigen. Appellante is hierop in de uitnodigingsbrief van 29 oktober 2009 van de Raad gewezen. Appellante heeft deze mededeling niet gedaan. Naar het oordeel van de Raad is het aanbod om getuigen te horen daarom te laat gedaan en verzet, vanwege de te verwachten vertraging, de goede procesorde zich er tegen dat het onderzoek ter zitting wordt heropend om alsnog getuigen te horen.

4.1.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB, en het voordien geldende artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw, wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Naar vaste rechtspraak van de Raad is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval.

4.1.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de onderzoeksbevindingen aannemelijk is dat appellanten in de hier van belang zijnde periode niet duurzaam gescheiden leefden. Weliswaar stonden appellanten ten tijde hier in geding ingeschreven op verschillende adressen, te weten appellante met haar kinderen op het adres [adres 1] te Apeldoorn en appellant op het adres [adres 2] te Apeldoorn, maar overigens wijzen de gebleken feiten en omstandigheden niet op een situatie van gescheiden leven in evenvermelde zin, laat staan dat die situatie een bestendig bedoeld karakter had. De Raad acht daarbij met name het volgende van belang.

4.1.4. Appellanten zijn als verdachte op 7 maart 2006 beiden afzonderlijk viermaal verhoord door de sociale recherche. Appellante heeft daarbij verklaard dat zij het eerste jaar dat zij in Nederland waren nog niet konden scheiden en dat zij daarna voor de familie de scheiding ook niet officieel hebben doorgezet. Naar de buitenwereld toe deden zij alsof zij een stel waren. Zij heeft tevens verklaard dat appellant zelf een sleutel van haar woning heeft en dat als het redelijk goed gaat tussen hen zij wel 2 á 3 maanden achter elkaar bij elkaar zijn en dan als een gezin leven. Terugkijkend op 2005 verklaart zij dat appellant in feite het grootste deel van het jaar bij haar was en dat zij eigenlijk al vanaf 2003 en 2004 voornamelijk in het weekend bij elkaar waren. Het kan dan ook kloppen, aldus appellante, dat zij als gezin eind 2001 aan de [adres 1] zijn komen wonen en daar nog steeds als een gezin woonachtig zijn.

4.1.5. Appellant heeft tevens bevestigd dat er op zijn adres [adres 2] in de perioden van 2000 tot en met 2002 en vanaf 2004 andere personen hebben gewoond. Dit betekent dat hij in evenvermelde perioden daar niet zijn woonadres had. Waar appellant dan wel woonde in deze perioden is door hem niet aangegeven. Verder blijkt uit de stukken dat de op naam van appellant staande Chrysler uit 1995 met het kenteken [kentekennummer] tevens op naam van appellante heeft gestaan in de periode van maart 2002 tot oktober 2004 en dat appellanten beiden deze auto gebruiken. De Raad leidt uit deze omstandigheden af dat de eenheid van het gezin ten tijde hier in geding niet verbroken was. Alhoewel uit de door appellanten afgelegde verklaringen tevens naar voren komt dat appellant ook periodes afwezig was in verband met huwelijksproblemen, maakt dit nog niet dat er sprake was van een als bestendig bedoeld gewilde verbreking van de echtelijke samenleving in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB en de Abw.

4.1.6. Het voorgaande betekent dat appellanten in de periode in geding met de tot hun last komende kinderen als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, ten tweede, van de WWB, en het voordien geldende artikel 4, aanhef en onder c, ten tweede, van de Abw, moeten worden beschouwd en dat appellante niet als een zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt. Appellante heeft het College niet gemeld dat zij niet (duurzaam) gescheiden leefde van haar echtgenoot. Daarmee heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het College was derhalve bevoegd de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over de periode van 27 november 2001 tot en met 28 februari 2006 in te trekken. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.1.7. Met het voorgaande is gegeven dat aan appellante ten onrechte bijstand is verleend over de periode van 27 november 2001 tot en met 28 februari 2006 en dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de door hem ter zake gehanteerde beleidsregels. De klacht van appellante dat na de anonieme tip pas in 2006 is begonnen met een stelselmatige observatie en dat derhalve de terugvordering door het College met een groter gedeelte dan 13/51 had moeten worden verlaagd, moet falen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante niet te kort is gedaan door de beslissing van het College om de hoogte van de terugvordering met 13/51 te verlagen in verband met het feit dat eerst 13 maanden na ontvangst van de anonieme tip met het rechercheonderzoek kon worden gestart. Het aldus verlaagde terugvorderingsbedrag houdt derhalve in rechte stand.

4.1.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat ten aanzien van haar de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.2. Het hoger beroep van appellant, zaak 07/6664 WWB.

4.2.1. Hetgeen hiervoor door de Raad in 4.1.6. is overwogen met betrekking tot de intrekking van bijstand van appellante geldt ook voor appellant. Nu vaststaat dat ten tijde in geding appellanten als een gezin moeten worden beschouwd en verlening van eventuele bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden niettemin achterwege is gebleven omdat appellante haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is voorts gegeven dat ten aanzien van appellant wat de terugvordering betreft is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de door hem ter zake gehanteerde beleidsregels. Tevens is de Raad van oordeel dat ook appellant met de beslissing van het College om de hoogte van de medeterugvordering met 13/51 te verlagen niet te kort is gedaan. Het aldus verlaagde medeterugvorderingsbedrag houdt derhalve in rechte stand.

4.2.2. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat ten aanzien van hem de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In zaak 07/6667 WWB, het hoger beroep van appellante,

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

In zaak 07/6664 WWB, het hoger beroep van appellant,

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B.E. Giesen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

SB