Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2088

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
08-3938 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid medische beperkingen. Juistheid opleidingsniveau. Appellant heeft basis- en middelbaar onderwijs in Marokko genoten en heeft een taalcursus Nederlands gevolgd, zodat het Uwv terecht het opleidingsniveau van appellant op niveau 2 heeft vastgesteld. Beheersing Nederlandse taal. Het betreft eenvoudige en routinematige functies waarin volgens een vast patroon met mondelinge opdrachten en eenvoudige schriftelijke instructies wordt gewerkt. Appellant moet voor deze functies geschikt worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3938 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2008, 07/3423 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarin verwezen wordt naar bijgevoegde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep van 13 september 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Martens, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen. De Raad volstaat thans met het navolgende.

1.2. Bij besluit van 7 mei 2007 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 8 juli 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is.

1.3. Bij besluit van 14 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 7 mei 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet door de artsen van het Uwv zijn onderschat. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant in staat moet worden geacht de uiteindelijk geduide functies te vervullen.

3. In hoger beroep heeft appellant gronden van zowel medische als arbeidskundige aard aangevoerd. Samengevat stelt hij zich op het standpunt dat hij meer beperkt is dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. Met name zouden zijn psychische beperkingen ten gevolge van paniekaanvallen zijn onderschat. Tevens stelt appellant dat zijn opleidingsniveau onjuist is vastgesteld en dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om twee van de aan hem voorgehouden functies te vervullen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellants belastbaarheid bij het nemen van het bestreden besluit niet is overschat. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met bestrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht op grond waarvan dient te worden afgeweken van het oordeel van de rechtbank. De Raad heeft mede in de overweging betrokken dat appellant zijn stelling dat het Uwv zijn belastbaarheid onjuist heeft beoordeeld in hoger beroep niet heeft onderbouwd met nadere medische stukken.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat appellant de geduide functies niet zou kunnen verrichten. Evenals de rechtbank acht de Raad de passendheid van de functies met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht.

4.3. Met betrekking tot appellants stelling dat zijn opleidingsniveau onjuist is vastgesteld overweegt de Raad dat uit de Gebruikershandleiding bij het CBBS (Claimbeoordelings- en borgingssysteem) valt af te leiden dat een betrokkene bij opleidingsniveau 2 moet kunnen lezen, schrijven en rekenen op eindbasisschoolniveau. Nu uit de in het dossier aanwezige medische en arbeidskundige rapporten kan worden afgeleid dat appellant basis- en middelbaar onderwijs in Marokko heeft genoten en een taalcursus Nederlands heeft gevolgd overweegt de Raad dat het Uwv terecht het opleidingsniveau van appellant op niveau 2 heeft vastgesteld en wordt appellants stelling door de Raad niet gevolgd.

4.4. Appellants stelling dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de functies productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en machinaal metaalbewerker (Sbc-code 264122) te vervullen onderschrijft de Raad, gelet op artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 en onder verwijzing naar zijn jurisprudentie van onder meer 8 mei 2009, LJN BI3744, evenmin. In aanvulling hierop overweegt de Raad dat blijkens de formulieren Resultaat Functiebeoordeling het eenvoudige en routinematige functies betreft waarin volgens een vast patroon met mondelinge opdrachten en eenvoudige schriftelijke instructies wordt gewerkt. Appellant moet voor deze functies geschikt worden geacht.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.C.A. Wit.

IvR