Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL2013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
08-6945 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Onjuiste medische grondslag. De Raad volgt het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde psychiater. Deze heeft vastgesteld dat de aangepaste FML niet geheel in overeenstemming is met de door hem vastgestelde beperkingen. Het Uwv heeft bij de functieselectie ten onrechte geen rekening gehouden met een beperking ten aanzien van het doelmatig handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6945 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 oktober 2008, 07/2701 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsintituut Werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.B. Teunis, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger geroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 11 december 2009, waar partijen met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

1.1. Appellante is medewerkster catering geweest en is op 10 november 1995 uitgevallen wegens psychische klachten. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door de arts

G.W. Alibahadoer, die in zijn rapport van 1 december 2005 heeft vastgesteld dat appellante als gevolg van haar psychische klachten beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 20 maart 2006 tot de conclusie gekomen dat appellante nog geschikt is voor een aantal functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport is appellante bij besluit van 21 maart 2006 meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 21 mei 2006 wordt ingetrokken.

2.1. In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij als gevolg van haar psychische klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij een verklaring van haar behandelend psychiater G.T. Calor overgelegd.

2.2. In opdracht van de bezwaarverzekeringsarts heeft E.F. van Ittersum, psychiater te Naaldwijk, appellante onderzocht. Deze psychiater heeft, nadat hij informatie had verkregen van Calor, op 15 december 2006 rapport uitgebracht. Met inachtneming van de bevindingen in dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van

26 februari 2007 te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de voor appellante vastgestelde FML. Bij besluit van 5 maart 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkingen heeft dan zijn aangenomen. Naar haar mening heeft Van Ittersum de bevindingen van de behandelend psychiater Calor te weinig in zijn oordeelsvorming betrokken.

3.2. Appellante is in opdracht van de rechtbank onderzocht door de psychiater

R. Thomassen, die op 17 april 2008 rapport heeft uitgebracht. In dit rapport heeft deze deskundige vastgesteld, evenals Van Ittersum, dat er bij appellante sprake is van een borderline persoonlijkheidstoornis. Thomassen is van mening dat zij als gevolg van deze stoornis meer beperkingen heeft ten aanzien van het sociaal functioneren dan in de FML is vastgesteld.

3.3. Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft de bezwaarverzekeringsarts op 16 juni 2008 een aangepaste FML vastgesteld. Op basis van deze aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige een nieuwe schatting verricht. Daarbij heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 15 tot 25%. Bij besluit van 24 juli 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat het bestreden besluit is gewijzigd en dat appellante met ingang van 21 mei 2006 een WAO-uitkering behoudt, berekend naar een mate van 15 tot 25%.

3.4. Dit nadere besluit, waarmee appellante zich evenmin heeft kunnen verenigen, heeft de rechtbank met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure betrokken.

3.5. Nadien heeft appellante nog een rapport van de psycholoog C. Vroone ingebracht, waar de deskundige Thomassen met een verklaring van 8 september 2008 op heeft gereageerd. In deze verklaring heeft hij onder meer vastgesteld dat in de op 16 juni 2008 vastgestelde FML ten onrechte geen beperking is opgenomen ten aanzien van het doelmatig handelen.

3.6. In een daaropvolgende reactie van 29 september 2008 heeft de

bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat het op basis van impulsdoorbraken, die zich 1 à 2 keer per week voordoen, aannemen van beperkingen niet past in de techniek van het duiden van beperkingen. Het zou suggereren dat appellante continu beperkt is in haar doelmatig functioneren, hetgeen naar zijn mening niet aan de orde is. Hij heeft de op 16 juni 2008 vastgestelde FML ongewijzigd gehandhaafd.

3.7. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 maart 2007

niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank de bezwaarverzekeringsarts gevolgd in zijn in de verklaring van 29 september 2008 neergelegde standpunt. De rechtbank heeft zich derhalve kunnen verenigen met de op 16 juni 2008 vastgestelde FML. Ook anderszins is de rechtbank niet tot de conclusie kunnen dat het besluit van

24 juli 2008 op onjuiste gronden berust, zodat de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard.

4. Appellante heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank aangevochten, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Zij heeft daarbij herhaald dat onvoldoende gewicht is toegekend aan het rapport van de psycholoog Vroone. Daarnaast heeft appellante nog een rapport van de psychiater R.W. Jessurun ingebracht, die appellante eveneens heeft onderzocht. Op dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de deskundige Thomassen, die onder meer beschikking heeft gehad over de medische informatie van de psychiaters Calor en

Van Ittersum, op zorgvuldige wijze een onderzoek ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag gedaan. De Raad acht de conclusies van deze deskundige, welke conclusies zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, begrijpelijk en overtuigend. De Raad ziet in dit geval dan ook geen aanleiding om af te wijken van het in vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijk door bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.

5.3. In zijn rapport van 17 april 2008 heeft deze deskundige vastgesteld dat er bij appellante ten tijde hier in geding – te weten 21 mei 2006 – sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Als gevolg van deze stoornis is appellante onder meer sterkt beperkt in het kunnen hanteren van emotionele gevoelens van anderen, het uiten van eigen gevoelens en het omgaan met conflicten. Vanuit deze beperkingen volgt een beperkt vermogen om samen te werken. Op symptoomniveau zijn de stemmingswisselingen en impulscontroleproblematiek met zowel verbale als fysiek agressieve uitingen het meest problematisch. Tijdens impulsdoorbraken is het doelmatig functioneren sterkt beperkt.

5.4. In reactie op het rapport van de psycholoog Vroone heeft hij vastgesteld dat de aangepaste FML niet geheel in overeenstemming is met de door hem vastgestelde beperkingen. In de aangepaste FML is het hanteren van emotionele beperkingen van anderen en het uiten van eigen gevoelens niet als sterkt beperkt beoordeeld, maar als beperkt. Voorts is in de aangepaste FML het doelmatig handelen als normaal beoordeeld en niet als sterk beperkt. Daaraan heeft hij toegevoegd dat het voor een adequate beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellante belangrijk is dat de sterke beperkingen in het doelmatig handelen zich uitend in stemmingswisselingen en impulscontrole problematiek met zowel verbale als fysieke uitingen meegenomen wordt in de FML. Zoals hij ook al in zijn rapport heeft aangegeven, zijn deze gedragskenmerken het meest problematisch voor het functioneren van appellante.

5.5. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel, anders dan de rechtbank, dat het Uwv bij de functieselectie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een beperking ten aanzien van het doelmatig handelen. Dit klemt naar het oordeel van de Raad des te meer, nu de informatie van de psychiaters Calor en Van Ittersum, alsmede die van psycholoog Vroone bevestigt dat er bij appellante sprake is van impulsdoorbraken waarbij zij zich zelf niet in de hand heeft. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het op de FML van 16 juni 2008 gebaseerde besluit van 24 juli 2008 in rechte niet kan worden gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, die voor verleende rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 644,-- en in hoger beroep op eveneens € 644,--, in totaal derhalve op € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 24 juli 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

GdJ