Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
09-4082 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verklaring is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om aan te nemen dat, zoals het College kennelijk heeft aangenomen, sprake is van een zodanig substantiële bijdrage van [Y.] in het levensonderhoud van appellant, dat daardoor niet kan worden vastgesteld dat appellant in de periode van 8 februari 2006 tot en met 31 maart 2007 in bijstandsbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. De Raad is van oordeel dat de werkzaamheden van appellant bij [naam bedrijf] en de tegenprestatie hiervoor in de vorm van autogebruik onmiskenbaar van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat appellant dit redelijkerwijs duidelijk kon zijn. Schending inlichtingenverplichting. Vernietiging uitspraak. Vernietigt het besluit, voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007 en op de terugvordering. Herroept het intrekkingsbesluit van 5 februari 2008, voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007. Nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant tegen de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4082 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 juni 2009, 08/7414(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Faouzi, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld en tevens een verzoek ingediend om het geding versneld te behandelen. Dit verzoek heeft de Raad ingewilligd.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Faouzi. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Tibben, werkzaam bij de gemeente Zoetermeer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 8 februari 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 15 september 2006 is door een keuringsarts van de GGD geconcludeerd dat appellant voor 20 uur per week betaalde arbeid kan verrichten dan wel een traject kan ingaan gericht op het verwerven van betaalde arbeid, waarbij rekening moet worden gehouden met diens beperkingen op lichamelijk, psychisch en sociaal gebied. Vervolgens is appellant aangemeld bij het re-integratiebedrijf TPM Consultancy B.V. (hierna: TPM).

1.3. In het kader van het door TPM ingezette re-integratietraject van appellant is op 2 februari 2007 een werkervaringsovereenkomst gesloten tussen de gemeente Zoetermeer en [naam bedrijf], een eenmanszaak op naam van [naam eigenaar bedrijf], de broer van appellant. Deze overeenkomst - die van rechtswege zou eindigen - hield in dat appellant gedurende de periode van 29 januari 2007 tot en met 30 maart 2007 werd aangesteld in de functie van algemeen medewerker bij [naam bedrijf], belast met alle voorkomende ondersteunende werkzaamheden, en dat zijn arbeidstijden flexibel waren, met een maximum van 12 uur per week. In de werkervaringsovereenkomst is onder punt 5 bepaald: “De activiteiten van appellant zijn gericht op het verbeteren van zijn zelfbeeld, het herstellen van zijn vertrouwen en het opdoen van arbeidsritme; het (leren) nakomen van algemene regels van goed werknemerschap en de omgang met collega’s en leidinggevenden. Daarnaast heeft de werkervaringsperiode als doel appellant voldoende inzicht te geven in zijn functioneren en arbeidsmogelijkheden.”

1.4. Op 29 augustus 2007 is appellant wederom onderzocht door een keuringsarts van de GGD. In zijn rapport van 4 oktober 2007 komt de GGD-arts tot de conclusie dat appellant gedurende 30 uur per week betaalde arbeid kan verrichten met inachtneming van zijn in dat rapport vermelde beperkingen op psychisch gebied.

1.5. Met ingang van 4 februari 2008 is appellant als werknemer in dienst getreden van [naam bedrijf] in de functie van meubelbezorger/bijrijder voor 37 uur per week.

1.6. Naar aanleiding van ingekomen informatie dat appellant al sinds 2006 gedurende zes dagen per week werkzaam was bij [naam bedrijf], is door de sociale recherche van de gemeente Zoetermeer onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn van 29 september 2007 tot en met 3 oktober 2007 waarnemingen verricht, hebben in de periode van 5 oktober 2007 tot en met 26 oktober 2007 stelselmatige observaties plaatsgevonden, zijn getuigen gehoord en hebben appellant en zijn broer nadien verklaringen afgelegd.

1.7. Bij besluit van 19 december 2007 heeft het College appellant medegedeeld dat de betaling van zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 december 2007 is opgeschort, omdat uit het door de sociale recherche uitgevoerde onderzoek feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.8. Op grond van de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche, neergelegd in een proces-verbaal van 4 februari 2008, heeft het College bij besluit van 5 februari 2008 de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2007 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant heeft verzuimd juiste inlichtingen te verstrekken, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Op dezelfde grond heeft het College bij besluit van - eveneens - 5 februari 2008 de bijstand van appellant over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 november 2007 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 22.773,86 van hem teruggevorderd.

1.9. Bij besluit van 25 augustus 2008 heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 19 december 2007 en 5 februari 2008 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan melding te maken, bestuurder en directeur is van [naam besloten vennootschap], dat hij van dinsdag tot en met zaterdag fulltime werkzaam is voor [naam bedrijf] en dat hem in plaats van inkomsten uit arbeid een auto ter beschikking is gesteld, dat [Y.] (hierna: [Y.]) tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat zij in grote mate in het levensonderhoud van appellant voorziet en dat als gevolg van dit alles niet kan worden vastgesteld dat appellant verkeert dan wel heeft verkeerd in bijstandsbehoevende omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De intrekking van de bijstand

4.1.1. De Raad stelt voorop dat het College de intrekking van de bijstand met ingang van 1 december 2007 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent - de beide besluiten van 5 februari 2008 samengenomen - dat de Raad in dit geval de periode van 8 februari 2006 tot en met 5 februari 2008 dient te beoordelen.

4.1.2. Gevraagd naar de feitelijke grondslag van de intrekking van de bijstand vanaf 8 februari 2006, heeft de gemachtigde van het College ter zitting van de Raad verklaard dat appellant wel had moeten melden dat hij directeur was van [naam besloten vennootschap], maar dat de omstandigheid dat hij dit heeft nagelaten geen zelfstandige betekenis heeft, dat aan de intrekking van de bijstand over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007 uitsluitend ten grondslag ligt de verklaring van [Y.] over het voorzien in het levensonderhoud van appellant en dat aan de intrekking over de periode daarna ten grondslag ligt dat appellant full time werkzaam was in het bedrijf van zijn broer.

4.1.3. De verklaring die [Y.] op 11 december 2007 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd luidt, voor zover van belang, als volgt: “Over hoe [M.] [appellant] in zijn levensonderhoud voorziet kan ik u zeggen, dat ik daar grotendeels in voorzie. Financieel doe ik heel veel voor hem, omdat hij geen middelen heeft en ik in de positie verkeer dat ik dat voor hem kan doen. Ik koop kleding voor hem, koop eten voor hem, betaal zijn vakanties. Ook voor zijn kinderen betaal ik wel eens dingen, zoals de Efteling. [M.] betaalt zelf zijn huur voor [het adres] in Zoetermeer en zijn vaste lasten, zoals gas, water, licht, alsmede cadeautjes voor zijn kinderen. (…) [M.] komt bij mij. Eén keer in de week eet [M.] bij mijn moeder. Om het weekend en elke maandag tot dinsdagmorgen heeft [M.] de kinderen. Dan is [M.] in Zoetermeer en rij ik zaterdag na mijn werk naar Zoetermeer. Gemiddeld is [M.] drie keer in de week bij mij in Tilburg.”

4.1.4. Deze verklaring is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om aan te nemen dat, zoals het College kennelijk heeft aangenomen, sprake is van een zodanig substantiële bijdrage van [Y.] in het levensonderhoud van appellant, dat daardoor niet kan worden vastgesteld dat appellant in de periode van 8 februari 2006 tot en met 31 maart 2007 in bijstandsbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. Zo kan uit de verklaring van [Y.], noch uit de overige ter beschikking staande gegevens worden afgeleid dat [Y.] vanaf 8 februari 2006 niet alleen tijdens het verblijf van appellant bij haar - van gemiddeld drie dagen per week - het eten voor hem betaalde, maar ook in zijn levensonderhoud voorzag op de dagen dat appellant - al dan niet met zijn kinderen - in Zoetermeer verbleef. Evenmin blijkt uit de verklaring van [Y.] dat zij appellant vanaf die datum in financieel opzicht in overwegende mate onderhield. Integendeel, zij verklaart juist dat appellant zelf de huur en vaste lasten van zijn woning in Zoetermeer betaalt. Dat [Y.] - wel eens - kleding voor appellant koopt, zijn vakanties betaalt en zijn kinderen soms op een bezoek aan bijvoorbeeld de Efteling trakteert, doet daar niet aan af.

4.1.5. Uit hetgeen onder 4.1.4 is overwogen volgt dat de verklaring van [Y.] onvoldoende grondslag biedt voor de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007. Nu deze verklaring blijkens het verhandelde ter zitting van de Raad de enige grondslag vormt voor de intrekking over die periode, berust het besluit van 25 augustus 2008 in zoverre op een ondeugdelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.1.6. Met betrekking tot de periode vanaf 31 maart 2007 overweegt de Raad het volgende. Blijkens de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder de verklaring die P.J. Veldhuis van TPM tegenover de sociale recherche heeft afgelegd, is de tussen de gemeente en [naam bedrijf] overeengekomen werkervaringsperiode na 30 maart 2007 verlengd in afwachting van een nieuw medisch onderzoek. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat van de kant van TPM en/of het College aan appellant te kennen is gegeven dat hij vanaf dat moment bij [naam bedrijf] werkzaam mocht zijn op een andere basis dan die is bepaald in de onder 1.4 bedoelde werkervaringsovereenkomst. Derhalve mocht appellant ook na 30 maart 2007 met behoud van zijn bijstandsuitkering gedurende maximaal 12 uur per week op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden blijven verrichten bij dit bedrijf.

4.1.7. Naar appellant ter zitting van de Raad heeft verklaard, is hij vanaf april 2007 bij [naam bedrijf] gedurende 20 uur per week werkzaam geweest en vanaf augustus 2007 gedurende 30 uur per week, onder meer als bijrijder/meubelbezorger. Dat hij gedurende dat aantal uren werkzaam mocht - en in de visie van appellant ook moest - zijn, volgt volgens appellant uit het rapport van de GGD-arts van 15 september 2006 en uit de mondelinge mededeling van de GGD-arts op 29 augustus 2007 dat hij arbeidsgeschikt was voor 30 uur per week. Voorts heeft appellant ter zitting van de Raad verklaard dat hoewel hij meer uren in het bedrijf doorbracht, hij dan niet altijd aan het werk was, maar zich wel beschikbaar hield voor het verrichten van hand- en spandiensten. De getuigenverklaringen, de door appellant en zijn broer tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen en de waarnemingen en observaties bieden eveneens steun voor de conclusie dat appellant na 30 maart 2007 in ieder geval meer dan 12 uur per week werkzaam was bij [naam bedrijf] en gedurende die uren substantiële, op geld waardeerbare, werkzaamheden verrichtte die het arbeidstherapeutisch karakter ruimschoots te buiten gingen. Appellant had ter zake van deze werkzaamheden loon kunnen bedingen. Uit de verklaringen van appellant en zijn broer blijkt voorts dat appellant als tegenprestatie voor zijn werkzaamheden bij dit bedrijf in ieder geval - ook privé - gebruik mocht maken van een auto (Volkswagen Polo) die op naam van zijn broer staat en dat de benzinekosten door [naam bedrijf] werden betaald. Weliswaar heeft de broer van appellant in beroep een andere visie over de bestemming van de auto en het gebruik daarvan gegeven, maar naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal-rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden.

4.1.8. De Raad is van oordeel dat de werkzaamheden van appellant bij [naam bedrijf] en de tegenprestatie hiervoor in de vorm van autogebruik onmiskenbaar van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat appellant dit redelijkerwijs duidelijk kon zijn. De Raad tekent hierbij aan dat noch het College, noch TPM appellant uitdrukkelijk toestemming heeft verleend om met behoud van zijn bijstandsuitkering meer dan 12 uur per week substantiële werkzaamheden te verrichten bij dit bedrijf. Dat de GGD-arts appellant arbeidsgeschikt achtte voor meer dan 12 uur per week, is in dit verband niet relevant. Het had derhalve op de weg van appellant gelegen om deze werkzaamheden en het autogebruik als tegenprestatie daarvoor onverwijld te melden aan het College. Nu appellant dit heeft nagelaten, heeft hij de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.1.9. Aangezien de exacte omvang van de werkzaamheden van appellant bij [naam bedrijf] en van de (eventueel) daartegenover gestaan hebbende vergoedingen niet kan worden vastgesteld, heeft het College zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand vanaf 31 maart 2007 niet kan worden vastgesteld. Derhalve was het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand vanaf 31 maart 2007. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De intrekking vanaf 31 maart 2007 kan dus wel stand houden.

4.2. De terugvordering

4.2.1. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1.6 tot en met 4.1.9 volgt dat over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007 niet is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Voor de periode van 31 maart 2007 tot en met 30 november 2007 is wel aan die voorwaarden voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Aangezien een terugvorderingsbesluit evenwel ondeelbaar is, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand, kan de handhaving van het gehele terugvorderingsbesluit geen stand houden.

4.3. De opschorting

4.3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het besluit van 19 december 2007 tot opschorting van de bijstand van appellant per 1 december 2007 als een blokkering van de uitbetaling van de bijstand moet worden beschouwd.

4.3.2. Nu uit het vorenstaande volgt dat de intrekking van de bijstand over de periode van 31 maart 2007 tot en met 5 februari 2008 in rechte in stand kan worden gehouden, brengt dit met zich dat de blokkering geen afzonderlijke bespreking meer behoeft.

4.4. Het voorgaande brengt de Raad tot de volgende slotoverwegingen.

4.4.1. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2008 gegrond verklaren en dat besluit, voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007 en op de terugvordering (geheel), vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.4.2. De Raad zal voorts, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het primaire intrekkingsbesluit van 5 februari 2008 herroepen voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007. Dat besluit lijdt in zoverre aan hetzelfde gebrek als het besluit van 25 augustus 2008, en niet aannemelijk is dat dit gebrek in bezwaar nog kan worden hersteld.

4.4.3. Het College zal met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Met het oog op de nadere besluitvorming overweegt de Raad dat hij geen grond ziet voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn terugvorderingsbeleid kan besluiten tot terugvordering van de volledige kosten van bijstand over de periode van 31 maart 2007 tot en met 30 november 2007. Van specifieke individuele omstandigheden die volgens dat beleid aanleiding geven geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken. Voor zover appellant vindt dat als zodanige omstandigheden zijn te beschouwen dat hij een schuldsaneringstraject heeft afgerond en de terugvordering van de kosten van bijstand consequenties heeft voor het verkrijgen van een ‘schone lei’, volgt de Raad hem daarin niet. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Weliswaar blijkt uit de beschikbare gegevens dat de begeleiding van appellant door TPM niet bepaald de schoonheidsprijs verdient en dat de communicatie tussen TPM en het College niet optimaal is geweest, maar dat laat onverlet dat appellant ten onrechte heeft verzuimd aan het College te melden dat hij na 30 maart 2007 beduidend meer dan 12 uur per week werkzaam was in het bedrijf van zijn broer.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Aangezien het intrekkingsbesluit van 5 februari 2008 gedeeltelijk wordt herroepen wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid en in bezwaar om vergoeding van de kosten in bezwaar is gevraagd, zal de Raad het College voorts veroordelen in de kosten van bezwaar. Deze kosten worden eveneens begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2008 gegrond;

Vernietigt dit besluit, voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007 en op de terugvordering;

Herroept het intrekkingsbesluit van 5 februari 2008, voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007;

Bepaalt dat het College een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellant tegen de terugvordering;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.932,--, waarvan € 1.288,-- dient te worden betaald aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en C. van Viegen en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

SB