Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1757

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08-2766 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Medische beperkingen zijn niet onderschat. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Bezwaarverzekeringsarts J.H.M.B.M. van Hoeij heeft op 19 januari 2006, aangevuld op 2 maart 2006, mede op basis van persoonlijk medisch onderzoek naar het oordeel van de Raad afdoende gemotiveerd waarom er onvoldoende aanleiding bestaat om een urenbeperking te aanvaarden. Daarbij is rekening gehouden met energetische mogelijkheden en preventieve aspecten. De Raad kan zich verenigen met de reactie van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, dat deze aanwijzingen bij de controle door de chirurg op 17 november 2005 nog niet bestonden en dat de vaststelling van intra-articulair weefsel als mogelijke oorzaak van de pijnklachten geen reden is tot het stellen van verdergaande beperkingen dan reeds is gedaan. Deugdelijke arbeidskundige grondslag. De Raad is van oordeel dat, uitgaande van de voor appellant vastgestelde functionele beperkingen, de functies geacht moeten worden geschikt te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2766 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 april 2008, 07/2987 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A.M. Broos, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Broos. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft daarna vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee hij heeft bepaald dat het vooronderzoek wordt heropend.

Mr. Broos heeft desgevraagd de Raad nadere informatie doen toekomen. Hierop is een reactie van het Uwv ontvangen.

Gelet op de van partijen verkregen toestemming, heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De Raad heeft het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad verwijst voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak en volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 13 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 3 november 2005 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat appellants uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 29 december 2005 wordt herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat appellant tegen het bestreden besluit heeft ingesteld ongegrond verklaard.

3.1. Appellant voert in hoger beroep aan dat hij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen wegens zijn knieklachten en voorts zijn rug-, visus- en spanningsklachten. Zoals de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft gesteld en nog eens heeft bevestigd in zijn brief van 3 juni 2009, staan de pijnklachten in de knieën voorop. Hij acht zich in verband met de klachten niet in staat om de bij het bestreden besluit in aanmerking genomen functies te vervullen.

3.2. Het Uwv is van opvatting dat ten aanzien van appellant de juiste beperkingen zijn vastgesteld en dat de nader door appellant toegezonden informatie van de orthopedisch chirurg H.J.J. Zwart uit 2008 en 2009 geen aanleiding geeft om de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 mei 2007 aan te passen. Het Uwv is van mening dat met de pijnklachten voldoende rekening is gehouden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat de medische beperkingen van appellant op 29 mei 2005 zijn onderschat. De Raad onderschrijft ook de overwegingen waarop dat oordeel berust. Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij zich moeilijk kan concentreren en zijn aandacht moeilijk kan verdelen, en hierdoor niet voltijds kan werken door de aanhoudende pijnklachten die zijn ontstaan nadat hij prothesen heeft gekregen in beide knieën, overweegt de Raad nog het volgende.

4.2. Er zijn van de zijde van appellant geen medische gegevens in het geding gebracht die aanleiding geven om te oordelen dat hij meer of anders beperkt is op de genoemde aspecten dan door het Uwv is aangenomen. Ten aanzien van (het gebruik van) de knieën heeft het Uwv reeds forse beperkingen aangenomen, waarbij in de bezwaarfase informatie van de orthopedisch chirurg Zwart uit 2006 is betrokken. Verder heeft bezwaarverzekeringsarts J.H.M.B.M. van Hoeij op 19 januari 2006, aangevuld op 2 maart 2006, mede op basis van persoonlijk medisch onderzoek naar het oordeel van de Raad afdoende gemotiveerd waarom er onvoldoende aanleiding bestaat om een urenbeperking te aanvaarden. Daarbij is rekening gehouden met energetische mogelijkheden en preventieve aspecten.

4.3. De in hoger beroep toegezonden brieven van orthopedisch chirurg Zwart van 18 juni 2008 en 7 mei 2009 leiden de Raad niet tot een ander oordeel. In de eerstgenoemde brief is vermeld dat Zwart appellant op 17 november 2005 en 4 juni 2008 heeft gezien op de polikliniek en dat de knieklachten in de loop der jaren zijn toegenomen, waarbij nog sprake is van rust- en nachtpijn. De loopafstand bedraagt volgens Zwart honderd meter. Hij vermeldt voorts dat hij zich in grote lijnen kan verenigen met de bevindingen van verzekeringsarts A.M. van den Berg-Vos van 7 juli 2005 en van bezwaarverzekeringsarts Van Hoeij van 19 januari 2006 en 2 februari 2007. In zijn brief van 7 mei 2009 doet Zwart verslag van een op 23 september 2008 uitgevoerde operatie waarbij appellants prothese van de rechterknie is vervangen omdat er in juni 2008 aanwijzingen waren voor een beginnende loslating van een deel van die prothese. De Raad kan zich verenigen met de reactie van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, dat deze aanwijzingen bij de controle door de chirurg op 17 november 2005 nog niet bestonden en dat de vaststelling van intra-articulair weefsel als mogelijke oorzaak van de pijnklachten geen reden is tot het stellen van verdergaande beperkingen dan reeds is gedaan.

4.4. De Raad acht de arbeidskundige grondslag van het besreden besluit eveneens voldoende deugdelijk. Door de bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman zijn de gehanteerde functies blijkens zijn rapport van 4 juni 2007 nogmaals gecontroleerd op een eventuele overschrijding van de belastbaarheid van appellant, waarbij hij voldoende heeft toegelicht waarom de belasting in die functies aanvaardbaar is. Daarbij is aangegeven dat met betrekking tot de functie van receptionist in een verzorgingstehuis nog overleg met de arbeidskundig analist heeft plaatsgehad over het lopen van een afsluitronde op de begane grond, hetgeen echter niet tot de conclusie heeft geleid dat dit appellants belastbaarheid te boven gaat. Ook overigens is de Raad van oordeel dat, uitgaande van de voor appellant vastgestelde functionele beperkingen, de functies geacht moeten worden geschikt te zijn.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR