Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL1703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08-701 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Ernstig plichtsverzuim. De Raad is van oordeel dat appellant zich geenszins als een goed ambtenaar heeft gedragen en de noodzakelijke vertrouwensrelatie met het college ernstig onder druk heeft gezet. De Raad is van oordeel dat de aard en ernst van de gedragingen zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. De langdurige staat van dienst van appellant doet niet af aan de conclusie van het college dat appellant heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en dat appellant daardoor het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate heeft geschonden en aldus aan het eigen aanzien en aan dat van de gemeente Rijswijk schade heeft toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/701 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] ,(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 januari 2008, 07/9224 en 07/8665 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: college)

Datum uitspraak: 14 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.J.M. Scheen, werkzaam bij CNV Publieke Zaak. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Blanken, advocaat te ’s-Gravenhage, en F.W.M. Nijp en T.J. Daniëls, beiden werkzaam bij de gemeente Rijswijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam bij de gemeente Rijswijk, laatstelijk in de functie van [naam functie] afdeling [naam afdeling]. Naar aanleiding van informatie dat appellant een verhouding zou hebben met de echtgenote van een ex-wethouder/raadslid van de gemeente, B., is bij het college het vermoeden gerezen dat appellant deze persoon in diensttijd met de dienstauto thuis heeft bezocht. Daarop heeft het college Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) een onderzoek laten instellen naar mogelijk ernstig plichtsverzuim door appellant.

1.2. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek is aan appellant het voornemen meegedeeld tot het opleggen van ongevraagd strafontslag wegens meermalen gepleegd ernstig plichtsverzuim. Appellant heeft zijn zienswijze naar voren gebracht. Dat heeft niet geleid tot een verandering van het standpunt van het college en bij besluit van 4 juli 2007 is appellant met toepassing van artikel 8:13 van de Collectieve arbeidsvoorwaarden-regeling/Uitwerkingsovereenkomst Rijswijk per 6 juli 2007 wegens ernstig plichts-verzuim de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Dat besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit).

Het aan appellant verweten plichtsverzuim bestaat, samengevat, uit:

a) het zonder toestemming en zonder werkgerelateerde noodzaak onder diensttijd bezoeken van een privépersoon;

b) het onder diensttijd verrichten van niet werkgerelateerde (neven)activiteiten;

c) het afleggen van misleidende verklaringen over de achtergrond van zijn ongeoorloofde afwezigheid op de werkplek, het in het kader van het naar hem ingestelde onderzoek veelvuldig afleggen van verklaringen in strijd met de waarheid, althans het niet geven van openheid van zaken;

d) het zich niet houden aan de regels met betrekking tot de verlofregistratie;

e) het zich niet houden aan de regels met betrekking tot het gebruik van dienstauto en diensttelefoon.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat naar vaste jurisprudentie - zie onder meer CRvB 16 oktober 1997, LJN AK6390 en TAR 1998, 1 - de overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim moet kunnen worden ontleend aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. Met het college is de Raad van oordeel dat daarvan sprake was. De Raad baseert dat oordeel op het volgende.

3.2.1. De Raad zal allereerst ingaan op de door het college in het verweerschrift naar voren gebrachte standpunt dat de rechtbank wat betreft het aan appellant verweten plichtsverzuim als weergegeven onder 1.3, onder a, ten onrechte heeft overwogen dat niet eenduidig is vast te stellen dat appellant op 26 maart en 19 april 2007 niet werkgerelateerde bezoeken heeft gebracht aan B. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 16 december 1999, LJN AA4886 en TAR 2000, 29, brengt de Raad daarbij in herinnering dat, gezien de sterke verwevenheid van de opgelegde sanctie en (de omvang van) het daaraan ten grondslag gelegde plichtsverzuim, de omstandigheid dat alleen appellant hoger beroep heeft ingesteld niet mee kan brengen dat de Raad in dit geding niet meer kan toetsen of het college terecht (en in de juiste omvang) ook dit plichtsverzuim aanwezig heeft geacht.

3.2.2. Voor zover appellant stelt dat hij tijdens het verhoor door Hoffmann, waarbij hij met de tegen hem gerezen verdenkingen is geconfronteerd, zodanig onder druk is gezet dat de toen door hem afgelegde verklaringen niet als waar mogen worden aangemerkt, volgt de Raad appellant daarin niet. De Raad neemt hierbij vooral in aanmerking dat uit de transcriptie van dat verhoor niet valt af te leiden dat appellant bij dat verhoor onder ontoelaatbare druk is gesteld. Bovendien blijkt niet dat appellant tijdens het verhoor heeft geklaagd over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder hij werd verhoord.

3.2.3. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het college op basis van de beschikbare gegevens voldoende heeft aangetoond dat appellant op 26 maart en 19 april 2007 onder diensttijd ongeoorloofd en zonder dat daarvoor een werkgerelateerde noodzaak bestond bezoeken heeft afgelegd aan B. Appellants betwisting van het niet werkgerelateerde karakter van deze bezoeken komt de Raad niet geloofwaardig voor. Dat appellant B. op 26 maart 2007 heeft bezocht uitsluitend voor het brengen van een grofvuilkalender acht de Raad onwaarschijnlijk. De verklaring van appellant dat de aanleiding voor evenbedoelde huisbezoeken was gelegen in een vraag over huisvuil acht de Raad evenmin plausibel. Daargelaten dat een huisbezoek bij een (standaard)vraag als deze in het geheel niet voor de hand ligt, heeft het college naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat er bij de gemeente geen klachten of meldingen zijn binnengekomen waaruit bleek van enige noodzaak voor de door appellant afgelegde huisbezoeken. Ook heeft appellant deze activiteiten niet geregistreerd of daarover gerapporteerd. Het college heeft bovendien onweersproken gesteld dat het zonder overleg en toestemming afleggen van huisbezoeken binnen de gemeente niet is toegestaan, althans niet gebruikelijk is.

3.3. Het onderzoeksrapport van Hoffmann, dat naar aanleiding van de tegen appellant gerezen verdenkingen is opgesteld, toont naar het oordeel van de Raad voorts overtuigend aan dat appellant (in elk geval) op 12 en 20 april 2007 voor derden - al dan niet tegen betaling - werkzaamheden heeft uitgevoerd bestaande uit het geven van (EHBO)cursus-sen. In verband met deze werkzaamheden is appellant ongeoorloofd afwezig geweest tijdens diensttijd. Daarnaast heeft appellant tegenover zijn leidinggevende voorgewend dat hij op 20 april 2007 een ziekenhuisbezoek zou afleggen, terwijl hij die dag in werkelijkheid cursus gaf. Appellant heeft zijn leidinggevende, ook achteraf nog, misleid over de achtergrond van zijn afwezigheid op de werkplek. De Raad acht bovendien van belang dat, toen appellant tijdens het disciplinair onderzoek werd verzocht om duidelijkheid te scheppen, het op zijn weg had gelegen om die te geven. Appellant heeft er echter voor gekozen om dit niet te doen en onjuiste verklaringen af te leggen over hetgeen is gebeurd. Gelet op een en ander is de Raad van oordeel dat appellant zich geenszins als een goed ambtenaar heeft gedragen en de noodzakelijke vertrouwensrelatie met het college ernstig onder druk heeft gezet.

3.4. Met de onder 3.2 en 3.3 besproken gedragingen heeft appellant zich ook naar het oordeel van de Raad schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Nu de door appellant geuite grieven niet tot de conclusie leiden dat dit plichtsverzuim appellant niet kan worden toegerekend, was het college bevoegd appellant hiervoor disciplinair te straffen.

3.5. De Raad is van oordeel dat de aard en ernst van de hiervoor besproken gedragingen zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. De langdurige staat van dienst van appellant doet niet af aan de conclusie van het college dat appellant heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en dat appellant daardoor het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate heeft geschonden en aldus aan het eigen aanzien en aan dat van de gemeente Rijswijk schade heeft toegebracht.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene laat de Raad de onder 1.3, onder d en e, vermelde feiten verder buiten bespreking.

4. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD